Geplaatst op zaterdag 30 november 2002 @ 18:39 , 604 keer bekeken

Op 26 juli vertrekt de vloot van Karel V uit Barcelona en op 12 augustus komen ze aan in Genua. Van daaruit gaat de hofkapel naar Piacenza en Bologna waar op 24 februari 1530 Karel V door paus Clemens VII (waarvan u links de foto ziet) tot keizer wordt gekroond. De mis die tijdens de kroningsplechtigheid werd gezongen is de missa "Sur tous regretz" van Gombert, welke onder de naam "A la Incoronation" in 1542 werd gedrukt. Na de kroning gaat de keizerlijke hofkapel verder via Mantua, over de Alpen naar Innsbruck waar Karels broer, koning Ferdinand hem opwacht. Beide hofkapellen verlaten op 6 juni 1530 Innsbruck, om via München naar Augsburg te reizen waar de Rijksdag op hen wacht. Hier is het waar de spanningen tussen diverse vorsten uit Karels rijk, veroorzaakt door de Reformatie, ten top werden gedreven. Op 23 november verlaat Karel V samen met zijn broer Augsburg en gaat naar Keulen waar Ferdinand op 5 januari 1531 tot Roomse koning wordt gekroond. Naar aanleiding van deze kroning schrijft Gombert zijn vijfstemmig huldemotet "Felix Austriae domus", waarin alle leden van de koninklijke familie in de tekst worden genoemd.
Na de kroning zet de hofkapel de reis voort naar Brussel, via Aken, Luik en Namen. Hier blijft het gezelschap een jaar. Dit verblijf wordt regelmatig onderbroken door kleine reizen naar Leuven, Mechelen, Antwerpen, Gent en Doornik (Tournai). Ook de contacten met de hofkapel van Maria van Hongarije, Karels zus en landvoogdes van de Nederlanden, zijn hier intens geweest. De keizer houdt regelmatig contact met Maria, dikwijls ook met de vraag uit te kijken naar goede zangers voor zijn hofkapel.
Aan het verblijf in Vlaanderen komt in januari 1532 een einde. De hofkapel reist via Keulen en Stuttgart naar Regensburg. Van daaruit gaat de reis verder naar Wenen. Twee weken later (op 4 oktober) wordt alweer naar Italië afgereisd. In Bologna ontmoet de keizer opnieuw paus Clemens VII met wie hij enkele verdragen ondertekend. Naar aanleiding schrijft Gombert zijn majestueus zestemmig motet "Qui colis Ausoniam". Eind februari 1533 verlaat de keizerlijke hofhouding Bologna, richting Genua, waar aan boord wordt gegaan van de keizerlijke vloot. Op 25 april wordt aangemeerd in Barcelona, in het land waar Gombert carrière begon.
Twee jaar later (op 16 juli 1535) gaat Karel V weer op reis. In Tunis verslaat hij een groep Turkse piraten die sinds lange tijd de Middellandse zee onveilig maakten. Gombert gaat niet mee; hij wordt belast met een opdracht om in Vlaanderen nieuwe koorknapen en -zangers te werven.
Dat de keizer Gombert miste, blijkt uit het feit dat hij al op 9 december 1535 "Maistre Nycole Gombart" een brief schrijft met de bede niet te lang te treuzelen. Gombert neemt echter zijn tijd en keert pas in 1537 terug in Spanje. In 1538 wordt hij nog vermeld in de registers maar daarna verdwijnt hij uit de annalen. Pas in 1547 komt er weer een teken van leven, vanuit Doornik. Vanuit deze stad schrijft hij een brief naar de Gran Capitan Ferrante Gonzaga, de enige brief die van Gombert bewaard is gebleven (nu in de Pierpont Morgan Library, New York).
Om te weten wat er in deze tussenliggende periode is gebeurd moeten we even een zijspoor volgen. Volgens de Italiaanse humanist, filosoof, fysicus en arts Hieronymus Cardanus (1501-1576) heeft Gombert aan het eind van de jaren dertig een koorknaap verkracht. Hij werd veroordeeld tot de galeien op de open zee. Nog in de ketens van de galeien gekluisterd componeert hij echter enkele stukken (Cardanus noemt ze 'zwanezangen') die de keizer weten te vermurwen(8). Karel V geeft Gombert een canonicaat, waarschijnlijk in Doornik waar hij al sinds 1534 een prebende had en waar hij de rest van zijn leven rustig kan componeren. In muziekdrukken wordt hij vanaf dan vaak aangeduid met simpelweg "maestro Nicolas Gombert" of zoals op het manuscript dat gewijd is aan Gomberts acht Magnificats(9) (welke in 1552 verscheen) waar hij op vermeld staat als "Nicolaum Gombert canonicu Tornacensis", dus als Doornikse kannunik.
Ook de eerdergenoemde brief die Gombert stuurde, bekrachtigt het feit dat de componist in Doornik woonde. De brief is een begeleidend schrijven bij een motet dat Gombert schenkt aan de vertrouweling (Ferrante Gonzaga) van de keizer. Deze man werd in 1546 gouverneur van Milaan. Hier werd hij een goede vriend van Cardanus en was waarschijnlijk de bron van Cardanus' vertrouwelijke informatie over Gomberts straf en gratie.
Wanneer Gombert gestorven is, is met geen zekerheid te zeggen. Hermann Finck beweert in 1556 dat Gombert nog leeft, maar zowel Cardanus (1561) en de Italiaanse diplomaat L. Giucciardini (1567) geven aan dat Gombert overleden is.
Nicolas Gombert stond in zijn tijd bekend als 'il profundo', de diepzinnige. Zijn werken stralen een onvoorwaardelijke ernst uit, die vooral door zijn strenge compositietechniek op basis van de consequente imitatie wordt geaccentueerd. Gombert is niet uit op illustratieve effecten, op verregaande tekstuitbeelding, hij geeft de voorkeur aan een gelijkmatige muzikale stroom, waarin sterke contrasten worden vermeden. Zijn muziek overweldigt evenwel door een indrukwekkende klankschoonheid en de volheid van toon. Hermann Finck schrijft in zijn "Practica Musica" over Gomberts stijl: "Hij componeert muziek zo verschillend van wat er aan vooraf ging. Want hij vermijdt rusten en zijn werk is rijk aan volle harmonieën en imitatief contrapunt".
In het oeuvre van Gombert ligt het zwaartepunt op de religieuze werken. Hij componeerde elf missen (waarvan er één verloren is gegaan), waaronder de missa "Tempore paschali" (met een Agnus Dei voor twaalf stemmen), de missa "Sancta Maria", gebaseerd op het gelijknamige motet van P. Verdelot (dit Maria-motet wordt door de Schola Cantorum gezongen). Ook schreef hij een mis op het motet "Quam pulchra es" van Noel Bauldeweyn. De missa "Fors seulement" werd lange tijd toegeschreven aan Gombert. Wat lange tijd onopgemerkt is gebleven, is dat Jheronimus Vinders wordt genoemd als componist van deze mis in één van de koorboeken van Illustre Lieve Vrouwe Broederschap te 's-Hertogenbosch. Deze bron is waarschijnlijk betrouwbaarder dan de bron waarin Gombert als componist wordt vermeldt. Tevens is stilistisch Vinders de eerder aangewezen componist dan Nicolas. Naast elf missen componeerde Nicolas Gombert nog één misdeel (een achtstemmig Credo), acht Magnificats, zeventig chansons (waaronder enkele 'Josquin-bewerkingen', bijvoorbeeld het beroemde "Mille regretz") en meer dan 160 motetten. Daaronder bevindt zich ook het beroemde "Salve Regina" met als ondertitel 'Diversi diversa orant' ('Verschillende mensen zingen verschillende dingen'). Gombert combineert hier zes Maria-antifonen in de drie onderstemmen, terwijl de bovenstem het "Salve Regina" zingt. Het getal zeven verwijst naar de zeven smarten van Maria. Ook het zevenstemmige motet "Ego flos campi" van Jacobus Clemens non Papa verwijst hiernaar.
"Tulerunt Dominum meum": een bronnenonderzoek.
Het achtstemmige "Tulerunt Dominum meum" is één van de 160 motetten die Gombert tijdens zijn leven schreef. De tekst bestaat uit een zeer vrije samenstelling van de evangelieënteksten, namelijk Joh. 20,11-13, Mk. 16,6-7 en Mt. 28,6-7(13). De Schola Cantorum zong dit motet van 1971 tot 1991(14). Overigens werd heel lang gedacht dat dit motet door Josquin des Prez werd geschreven. Het werd in 1933 door Friedrich Blume uitgegeven vanuit een gedrukte editie uit 1554(15), waarin Josquin als componist staat vermeldt(16). Toch is ten onrechte jarenlang Josquin als componist aangeduidt. Dit wordt duidelijk aan de hand van een aantal contrafacta (zelfde muziek, andere tekst). Het achtstemmige motet verschijnt voor het eerst in 1536 met de tekst "Sustinuimus pacem(17)". In de inhoudsopgave van het manuscript dat tegenwoordig in Verona ligt wordt de naam van Gombert vermeldt. In dat manuscript heeft het motet ook nog een secunda pars getiteld "Tu sola es virgo", welke overigens niet achter "Sustinuimus pacem" staat. Bij het secunda pars is helaas geen componist vermeldt.
Een ander contrafactum is het chanson "Je prens congie" welke in een uniek handschrift in Londen is bewaard en dateert uit ca.1565-80. Ook hier wordt Gombert als componist vermeldt. Dit chanson is zeer waarschijnlijk de allereerste versie van de verschillende contrafacta. Dan is er nog een ander contrafactum met de tekst "Lugebat David absalon" (secunda pars "Porro rex operiut"; is een contrafactum van "Tu sola es virgo" uit het handschrift in Verona). "Lugebat" verschijnt voor het eerst in 1564, ook bij Montanus-Neuber in Nürnberg. Deze bron schrijft het contrafactum toe aan 'Iodocus de Prato', een variant op de naam van Josquin.
De eerste bron waarin "Tulerunt" voorkomt is de Montanus Neuber anthologie, welke in 1554 verschijnt. Verdere bronnen van dit evangeliemotet zijn handschriften in München (ca.1583, Josquin), Zwickau (ca.1590, Josquin), Breslau (ca.1573, Josquin) en nog een keer in Breslau (na 1560, Josquin). Ook zijn er enkele arrangementen bekend in publicaties van Diego Pisador (1552) en Emanuel Adriaenssen (1592)(21). In beide arrangementen wordt Gombert genoemd als componist. Zoals men ziet wordt in de meeste gevallen "Tulerunt" toegeschreven aan Josquin des Prez. Maar aangezien de twee oudste bronnen Gombert als componist vermelden kan men aannemen dat deze de componist is. Ook stilistisch gezien is Gombert de meest kanshebbende. Ook het feit dat de opening van Gomberts enige achtstemmige Credo thematisch gerelateerd is aan "Tulerunt" versterkt het argument dat Gombert de componist is.
Bron: Jan Jaap Zwitser.
http://home.planet.nl/~scholacantorum.stjan/home.html
Welkom bij Clubs!
Kijk gerust verder op deze club en doe mee.
Of maak zelf een Clubs account aan: