Oude muziek van Hildegard von Bingen tot Antonio Vivaldi

Logo MA 

- Welkom bij Musiqua Antiqua - 

logoem.giflogoem.gifDeze club gaat over de Oude Muziek of Musica Antiqua; van de Middeleeuwse componiste Hildegard von Bingen (1098-1179) tot de barokcomponist Antonio Vivaldi (1678-1741). 

Hier vind je informatie over de muziekgeschiedenis, nieuwe CD's, componisten, muzikanten - via de tab "Nieuws". Er is een zeer grote verzameling oude muziek videoclips - te vinden via de tab "Videoalbums".

Wat is 'oude muziek'? Oude Muziek of Musiqua Antiqua is de verzamelnaam voor muziek uit de Middeleeuwen, de Renaissance en de Barok. Met deze term maakt men een onderscheid tussen de muziek uit deze "pre-klassieke" periode met de rest van de klassieke muziek. Bij de uitvoering van oude muziek wordt vaak teruggegrepen naar instrumenten uit de tijd waarin de muziek geschreven is. Geprobeerd wordt de muziek uit te voeren zoals de betreffende componist oorspronkelijk bedoeld heeft. Dat geeft een zeer bijzondere sfeer aan de muziek, dat vooral bij een liveoptreden goed tot uiting komt.Van belang is dat deze muziek ook daadwerkelijk 'oud' klinkt en wordt uitgevoerd op authentieke instrumenten. Daarnaast dient de uitvoering te klinken op een wijze die een componist honderden jaren geleden vertrouwd in de oren zou hebben geklonken. Deze club gaat dus over muziek van middeleeuwen tot het einde van de late Barok, juist op het moment dat de klassieke periode zichzelf vestigde als de voornaamste muzikale stijl (in de tweede helft van de 18de eeuw).

logo-black_on.png 55196.png Radio44.jpg

Concertzender biedt een themakanaal Oude Muziek aan

Op de nieuwe cd van het vocaal ensemble, Gothic Voices, staat muziek uit het Old Hall-manuscript, een verzameling prachtige, 4- à 6-stemmige, Engelse composities uit de late 14de – en vroege 15de  eeuw. Het belichaamt met zijn zachte melodieën en harmonieën, de Engelse muzikale smaak van die tijd, onweerstaanbaar voor de Franco-Vlaamse componisten van de volgende generatie, bij hen bekend als het “Engels gelaat”. 

Deze zeer expressieve en originele muziek, waarvan de sfeer varieert van zachte, charmante momenten tot cascades van energieke klanken, profiteert van de prachtige akoestiek van Boxgrove Priory in Sussex. Op de cd staan de Bourgondische componisten Dufay, Lymburgia en Binchois, samen met de Engelsen, Cooke, Power, Pycard en Dunstable, die de invloed en echo’s van dit “Engels gelaat” illustreren. 

Het “Old Hall Manuscript” is de grootste, meest complete en belangrijkste bron van Engelse religieuze muziek van de late 14de – en vroege 15de eeuw, en als zodanig de beste en belangrijkste bron voor laatmiddeleeuwse, Engelse muziek. Het manuscript heeft op de een of andere manier de Reformatie overleefd en behoorde vroeger toe aan St. Edmund’s College, een rooms-katholieke school in Old Hall Green (vandaar de naam) in Hertfordshire. Het werd in 1973 verkocht aan de British Library na een veiling bij Sotheby’s. Het manuscript bevat in totaal 148 composities, o.a. isoritmische composities en canons, waarvan 77 in partituur in plaats van in afzonderlijke, vocale partijen. 

Het Old Hall Manuscript is samengesteld aan het begin van de 15de eeuw, waarschijnlijk over een periode van ongeveer 20 jaar. De verschillende kopiisten zijn herkenbaar, en sommigen van hen kunnen de componisten zelf zijn. Recent onderzoek heeft gesuggereerd dat het werk aan het manuscript eindigde met het overlijden van Thomas, hertog van Clarence, in 1421, een iets latere datum dan eerder werd gesuggereerd. Deze datum maakt het mogelijk om de chronologie te bepalen van het recentste stuk in het manuscript, het (huwelijks)motet van Byttering, dat vrijwel zeker werd gecomponeerd voor het huwelijk van Hendrik V en Catharina van Valois op 2 juni 1420, evenals een groep motetten van verschillende componisten, waarvan de titels overeenkomen met de geschreven verslagen van de muziek die gespeeld werd bij de viering van de overwinning van Agincourt in 1415.

Gothic Voices is een vocaal ensemble uit Engeland dat gespecialiseerd is in middeleeuwse muziek, met name uit de 11de tot 15de eeuw. Het ensemble werd in 1980 opgericht door Oude Muziek-expert Chrisopher Page naar aanleiding van een plan van de BBC om een programma te maken over muziek van de middeleeuwse abdis Hildegard van Bingen. Hun eerste cd, “A Feather on the Breath of God – Hymns and Sequences by Abbess Hildegard of Bingen”, uitgebracht naar aanleiding van het eerder genoemde BBC-programma, is tot op heden een van de bestverkochte cd’s met middeleeuwse muziek. 
 
Gothic Voices
Echoes of an Old Hall 

 

Bron: Michel Dutrieue, Stretto – Magazine voor kunst, geschiedenis, filosofie, literatuur en muziek (stretto.be)

Er zijn andere, minstens zo interessante, opnamen van het Llibre Vermell de Montserrat, het “rode boek” met pelgrimsliederen die de luisteraar meevoeren naar het Spanje van de veertiende eeuw, naar het klooster van Santa Maria de Montserrat. Weinig zijn er die dezelfde spiritualiteit in de muziek uitdragen en vooral dezelfde menselijkheid als vocaal ensemble Psallentes uit Leuven.

De zangers van Psallentes onder leiding van artistiek directeur Hendrik Vanden Abeele hebben samen met musici van het Vlaamse muziekensemble Zefiro Torna de liederen uit het beroemde Llibre Vermell de Montserrat opgenomen. Dit manuscript wordt bewaard in de Benedictijnse abdij van Montserrat in Catalonië, in de buurt van Barcelona. Het Llibre Vermell, zo genoemd vanwege de rode fluwelen omslag die de pagina’s sinds de negentiende eeuw bij elkaar houdt, bevat een handleiding voor de monniken van het klooster met daarin verzameld liturgische en informatieve teksten en aanwijzingen rond de verering van de Zwarte Madonna van Montserrat. Dit is een zwart houten Madonnabeeld, La Moreneta genoemd, dat volgens de legende in 880 door herdersjongens werd gevonden in een grot, de plek waar later het klooster werd gebouwd. Het manuscript bevat daarnaast een tiental pelgrimsliederen in het Latijns, Catalaans en Occitaans.

Het Llibre Vermell de Montserrat is al vaak opgenomen. De opname door Psallentes en Zefiro Torna onderscheidt zich door een grote ingetogenheid. De zangers en musici kruipen hier als het ware in de huid van de pelgrims die met hun instrumenten zijn aangekomen in de kerk Beate Marie de Monte Serrato. Daar brengen zij de nacht door, en zingen en dansen op liederen voor hen gemaakt en aangeboden door de monniken. Die gebruikten daarvoor waarschijnlijk populaire dansliederen en voorzagen die van meer devote teksten, met als doel de eventuele overlast voor de andere aanwezigen in de kerk tot een minimum te beperken. De liederen verschillen onderling van stijl en variëren van alledaags volks tot zeer verfijnd, een aantal kan als canon worden gezongen, maar de meeste zijn rondedansen. Een voorbeeld van dit laatste is het uitbundige Los set goytxs recomptarem (de zeven vreugden), de Ballade van de Vreugden van Onze Lieve Vrouw.

De uitvoering van de liederen door Psallentes en Zefiro Torna is ontdaan van alle overbodige tierelantijnen en wordt uitgevoerd door musici die elke gekunsteldheid in muziek vreemd is. Zo ontbreken bijvoorbeeld de bonkende trommelslagen waarmee andere uitvoerenden, zoals het Duitse Ensemble Sarband, een brug willen slaan naar meer eigentijdse volksmuziek. Psallentes en Zefiro Torna bewandelen een andere weg. De instrumentale begeleiding is minder dominant aanwezig, maar daardoor kunnen de musici zich juist onderscheiden door het raffinement in hun spel en is er meer ruimte voor nuance. Voorbeelden zijn het prachtig theatrale Imperayritz de la ciutat joyosa (Keizerin van de vrolijke stad) en het verrukkelijk percussieve Ad mortem festinamus (Wij omarmen de dood).

De zangers van Psallentes hoeven in deze opname evenmin op te boksen tegen al te moderne opvattingen over muziek productie technieken. Hun stemmen, en die zijn van grote klasse, vormen het uitgangspunt, en dat verleent deze uitvoering een lading die in zijn diepe, spirituele, kracht letterlijk eeuwen overbrugt. Zo, zoals hier door Psallentes, moet de ontroerende, driedelige, a-capella gezongen canon O virgo splendens (Oh, glorieuze Maagd), geklonken hebben, in de kerk Beate Marie de Monte Serrato.

Llibre Vermell de Montserrat door Psallentes en Zefiro Torna is een feest, muzikaal en spiritueel. Hoor de veertiende-eeuwse pelgrims en monniken zingen en dansen en, door hun religie geïnspireerd, het leven uitbundig vieren. Kan dat dan? Luister maar.

 

LLIBRE VERMELL DE MONTSERRAT
Psallentes, Zefiro Torna

 
Bron: ccryder.nl

Zie ook video met interview met Hendrik Vanden Abeele over de CD Llibre Vermell 

Tomás Luis de Victoria’s “Officium Hebdomadae Sanctae” uit 1585, is één van de meest meeslepende voorbeelden van het creatief genie van een componist, een torenhoog aangrijpend meesterwerk over de Passie van Christus, een groots, religieus meesterwerk, gecomponeerd voor de viering van de christelijke eredienst in de contrareformatie.

Victoria’s polyfone muziek toonde verwantschap met die van Giovanni Pierluigi da Palestrina, bij wie hij mogelijks in Rome heeft gestudeerd. Victoria, de El Greco van de muziek, leefde tijdens het hoogtepunt van de contrareformatie en de muziek die hij componeerde, bestond dan ook voornamelijk uit religieuze, vocale werken, zoals missen en motetten (Motecta quae 4, 5, 6, 8 vocibus concinuntur) en een Requiem of “Officium Defunctorum” uit 1603.

Tomás Luis de Victoria werd in 1548 geboren in Sanchidrián, nabij Ávila, en ontving zijn muzikale opleiding tot koorzanger van de Kathedraal van Avila, van Jerónimo de Espinar en Bernardino de Ribera, (twee van de grootste Spaanse componisten van hun generatie), Juan Navarro en Hernando de Isasi. Op jonge leeftijd werd hij door Filips II van Spanje naar Rome gestuurd om er te studeren. Hij werd priester en trad toe tot de congregatie van de Oratorianen, seculiere priesters, die mede aan de wieg stonden van het oratorium.

Victoria was waarschijnlijk nog maar 17 jaar, toen hij naar Rome reisde om zijn opleiding aan het Collegio Germanico voort te zetten. Het was een stad die hem veel kansen bood, want hij verbleef daar de volledige eerste helft van zijn leven. Hij werkte er als zanger, leraar, organist en maestro di a capella aan het Pontificio Seminario Romano Maggiore en het “Collegio Germanico” (foto) van de Jezuïeten. Het was in deze prestigieuze instellingen, opgericht door Ignatius van Loyola, dat de Victoria beroemd werd.

Het feit dat het college in Rome, waar Victoria studeerde, onder de bescherming stond van de kerk en van koning Filips II, evenals het succes van zijn composities, stelde hem in staat het merendeel van zijn werken tijdens zijn leven te publiceren. Paradoxaal genoeg was het na zijn terugkeer naar Spanje aan het eind van zijn leven, dat hij moeilijkheden zou ondervinden bij het publiceren van zijn laatste werken, zoals we kunnen lezen in een brief gericht aan “Zijne Majesteits kapelaan”, “aan de meest serene heer Francesco Maria II. della Rovere, hertog van Urbino”.

Pas in 1586 vestigde Victoria zich in zijn geboorteland Spanje, meer bepaald in Madrid, waar hij kapelaan werd van de keizerin-weduwe Maria (foto). De keizerin was de dochter van keizer Karel V en Isabella van Portugal en was de echtgenote-weduwe van haar neef, de latere keizer Maximiliaan II. Victoria werd maestro de capilla van de kapel van het “Monasterio de las Descalzas Reales” (foto’s), het klooster waar de keizerin-weduwe tot haar overlijden in 1603 verbleef. Victoria componeerde bij haar overlijden een magistraal Requiem (“Officium Defunctorum”) en overleed zelf 8 jaar later in Madrid.

Officium Hebdomadæ Sanctæ.

Onder deze titel publiceerde Victoria in 1585 zijn Officie voor de Goede Week in Rome, kort voor zijn terugkeer naar Spanje. Dit polyfoon meesterwerk bestaande uit 18 responsoria, 9 lamentaties, twee passies, een Miserere, Improperiën (gezangen tijdens de kruisverering op Goede vrijdag), motetten, hymnen en psalmen, op teksten van de Lamentaties van Jeremias en een aantal responsoria (Tenebræ responsoriae), was bedoeld om te worden uitgevoerd door de Capella Musica Pontificia Sixtina en de Cappella Giulia, tijdens de belangrijkste plechtigheden van het liturgisch jaar, de officies van Palmzondag en Witte Donderdag, Goede Vrijdag en Stille Zaterdag. Het werk bestaat uit 37 nummers, waarvan de Victoria er 33 speciaal voor dit Officium componeerde.

“Meer dan 70 jaar geleden maakten de sequenties van gregoriaans en polyfone muziek zoals die van Tomás Luis de Victoria, een diepe indruk op mijn muzikale ervaring in de tijd van 1949 tot 1953, toen ik koorzanger was onder leiding van Joan Just in het jongenskoor van de Piaristenschool in Igualada, Catalonië”, vertelt Jordi Savall. “Dat ik tijdens mijn jeugd ondergedompeld ben geweest in de schoonheid van die muziek”, vervolgt hij, “heeft ongetwijfeld een blijvende impact gehad en bepaalde aspecten van mijn opleiding als koorzanger gevormd, en vooral mijn muzikale gevoeligheid. De herinnering aan die betoverende gezangen had ook een beslissende invloed op mijn keuze om een paar jaar later cello te studeren, net voor ik 15 werd, toen ik op een avond betoverd was tijdens een repetitie van Mozarts Requiem. Het was na die avond van buitengewone intensiteit, en dankzij Joan Just, die het koor van de Schola Cantorum in Igualada dirigeerde, dat ik ten volle de kracht van muziek besefte en besloot musicus te worden.”

Als de diensten van de Goede Week uit monodische gezangen in het Gregoriaans bestonden, verving Tomás Luis de Victoria een bepaald aantal stukken door polyfonie om de plechtigheid van de viering te verhogen, o.a. de antifoon, “Pueri hebræorum”, en de hymnen, “Tantum ergo” en “Vexilla Regis”. Vandaar dat de publicatie in 1585 alleen uit zijn polyfonie composities bestond, terwijl de verzen die door de celebranten in eendracht werden gezongen, werden weggelaten. De hymne “Pange lingua”, werd gedeeltelijk gezongen in het gregoriaans, en gedeeltelijk meerstemmig.

“In tegenstelling tot andere stukken uit het Officium, zoals Tantum ergo, Vexilla regis, geschreven in de “moro hispano”, of Spaanse stijl”, vertelt Savall, “gebruikte Victoria in de twee passies, het gregoriaans, dat in de Romeinse traditie gebruikelijk was. Daarom hebben we ons gebaseerd op “Cantus Ecclesiasticus” van Giovanne Domenico Guidetti (ca.1530-1592), onze reconstructie van de Gregoriaanse delen van de evangelist en van Jezus, die overeenkomen met de twee passies/evangelies volgens Mattheüs en Johannes, opgenomen in het Officium. Deze worden briljant gezongen door onze ‘voorzanger’ en celebrant, Andrés Montilla-Acurero.”

“Tegelijkertijd”, zo vervolgt Savall, “hebben we voor de andere stukken in het Officium, de 14 beschikbare zangers verdeeld, afhankelijk van het karakter van elk stuk, meestal a capella zingend voor de interventies met 4, 5 of 6 solostemmen (vergelijkbaar met de coro favorito traditie) en dubbele partijen voor de homofone momenten of die van grote dramatische intensiteit (equivalent van de coro ripieno-traditie). We putten ook uit de gebruikelijke instrumentale praktijk in de Spaanse kerken in die tijd door een instrumentaal ensemble van 4 viola’s da gamba, een dulciaan en een violone toe te voegen. Voor alle introducties en instrumentale overgangen hebben we uitsluitend stukken uit het Officium zelf gebruikt, waarbij we instrumenten hebben toegevoegd die in ripieno worden gebruikt voor dynamische versterking in de stukken die een grotere intensiteit vereisen.

”In 1553 tekende het kapittel van de kathedraal van Toledo drie instrumentale virtuozen voor 20-jarige contracten, met de instructie dat elk een assistent moest kiezen. Soortgelijke regelingen werden getroffen bij andere kathedralen, zoals Sevilla, waar werd opgemerkt dat de aanwezigheid van ministriles of instrumentalisten tijdens religieuze vieringen de toewijding verhoogde. Er werd overeengekomen dat het zeer nuttig en perfect verenigbaar zou zijn met de Heilige Schrift, om in deze kathedraal gebruik te maken van alle soorten instrumentale muziek. Bovendien gebruikten alle andere kathedralen in Spanje, ook al hadden ze misschien minder middelen, voortdurend instrumentale muziek.

Het Officium werd opgenomen in de Kollegienkirche in Salzburg en de uitgebreide informatie over Tomás Luis de Victoria en zijn Officium, worden in het bijbehorend boekje, prachtig besproken door Josep Maria Gregori (°1954) van de universiteit van Barcelona, en de Portugese musicoloog, Rui Nery (°1957).

Tomás Luis de Victoria
Passion - Officium Hebdomadae Sanctae
La Capella Reial de Catalunia, Hesperion XXI, Jordi Savall
3 cd Alia Vox 

  • CD1: DOMINICA IN RAMIS PALMARUM & FERIA QUINTA IN CENA DOMINI
  • CD2: FERIA SEXTA IN PASSIONE DOMINI
  • CD3: SABBATO SANCTO

Bron: Michel Dutrieue, Stretto – Magazine voor kunst, geschiedenis, filosofie, literatuur en muziek (stretto.be)

De 'Ratas del Viejo Mundo' zijn een internationaal gezelschap van zangers en instrumentalisten onder de gepassioneerde leiding van luitist Floris De Rycker. Ze brengen op een unieke manier middeleeuwse en renaissance-muziek opnieuw tot leven.

De Ratten van de Oude Wereld brachten al 2 zeer gesmaakte cd's op de markt met muziek van o.a. Orlandus Lassus, Gilles Binchois, Johannes Ockegem, Adriaan Willaert en Jacques Arcadelt en verrassen nu met een verzameling Air de Cour, drink- en dansliederen van de Franse componist Jean Boyer (1600-1648). 

Deze voor het grote publiek onbekende componist schreef heel wat Air de Cour, een populaire vorm van seculiere, vocale muziek in Frankrijk in de late renaissance en de vroege barok. Daarnaast schreef hij ook leuke drink- en dansliederen met gedurfde teksten. 

Op deze cd staan 19 werken van Jean Boyer: vier ervan zijn louter instrumentaal. Leuke, opmerkelijke muziek die je niet meteen associeert met renaissance polyfonie. 

'Wat deed je op de bakkersvrouw, mooie jongen?' klinkt het in het oud-Frans. Grappige, gewaagde en frivole liederen wisselen elkaar af. De dubbele gelaagdheid van sommige liederen maakt dat je er best met fraai uitgewerkte boekje (waarin de teksten werden opgenomen) naar luistert. Sommige liederen gaan ook over verloren of onbereikbare liefde. Niet alles klinkt dus even frivool, vaak klinken de liederen ook erg aangrijpend.

Dat er goed is nagedacht over de bezetting en de verdeling van de stemmen, is een understatement. Floris De Rycker maakt er met zijn ensemble bijna een erezaak van om de platgetreden paden te vermijden en een eigen, unieke klankkleur te geven aan de manuscripten die hij ontdekt. Hij ontleedt en interpreteert de muziek en geeft er een typische Ratas-touch aan. 

Zo verwerven de Ratas del Viejo Mundo steeds meer een unieke plaats in de wereld van oude muziek, een plaats die vele anderen hen waarschijnlijk zullen benijden. Je voelt gewoon dat de Ratas professionaliteit en amusement perfect met elkaar weten te verbinden.
 
Jean Boyer
Chansons à boire et à danser
Airs de cour
Ratas del Viejo Mundo 

 
Bron: Klassiek in de Kapel
 
Zie ook videoclip Jean Boyer

Op deze cd wordt Bibers Requiem in fa klein voor 15 stemmen, gecomponeerd in 1687, gecompleteerd door “Herr, nun lässest du deinen Diener in Friede fahren” en “Tribularer si nescirem misericordias tuas”, (twee religieuze werken van Christoph Bernhard (1628-1692)), de  Sonata a 4 in sol klein, K. 347, het indrukwekkend “Omnis terra adoret”, K. 183 van Johann Joseph Fux  (1660-1741), en de Sonate a 6 in la klein van Johann Michael Nicolai (1629-1685).

Deze opname markeert het begin van een samenwerking tussen Vox Luminis en het beroemd ensemble, het Freiburger Barockorchester, dat hier te horen is in een consort formatie. De muziekwereld kent de naam Biber (door zijn “Rosenkranz Sonaten”, gecomponeerd in dienst van bisschop Karl Liechtenstein-Kastelkorn. De religieuze muziek die Heinrich Ignaz Franz Biber von Bibern, geridderd door keizer Leopold I, componeerde als kapelmeester van de prins-bisschop voor de Dom van Salzburg, is de afgelopen jaren stilaan herontdekt.

Heinrich Ignaz Franz Biber (1644-1704) ontving zijn muzikale opleiding in een Jezuïeten-middelbare school in Troppau in Silezië. Hier had hij contact met de trompettist en latere kapelmeester van de aartsbisschop in Kremsier, Pavel Josef Vejvanovský. Vermoedelijk kreeg hij verder les van Johann Heinrich Schmelzer of van de hofkapelmeester Antonio Bertali in Wenen.

Zijn eerste compositie was een Salve Regina voor sopraan, viool, altviool en orgel uit 1663. In 1668 trad hij in dienst van de Fürstbischof von Breslau, bisschop Karl II van Liechtenstein-Kastelkorn in Olmütz in Moravië en vanaf 1670 trad hij in dienst van aartsbisschop Max Gandolf von Kuenburg in Salzburg. In 1678 kreeg hij er de functie van assistent-dirigent en na het overlijden van zijn voorganger, de priester, Andreas Hofer, werd hij in 1684 kapelmeester. Hij was een briljante vioolvirtuoos en Keizer Leopold I gaf hem in 1690 de adellijke titel van rentmeester. Vanaf dat moment mocht hij zich Biber von Bibern noemen. In 1715 volgde zijn zoon Carl Heinrich Biber (1681-1749) hem op als kapelmeester.

Biber componeerde missen, twee Requiems, talrijke vioolsonaten en tafelmuziek. De barokke Dom in Salzburg, ontworpen door Vincenzo Scamozzi en Santino Solari, werd in 1611 gewijd. Bibers monumentaalste werk, de 53-stemmige Missa Salisburgensis, componeerde hij in 1682 ter gelegenheid van het 1100-jarig bestaan van het aartsbisdom Salzburg. De Mis werd eerder toegeschreven aan Orazio Benevoli. In de jaren ‘70 werd vervolgens aangenomen dat de voorganger van Biber, Andreas Hofer, mogelijks de componist was, maar sinds 1975 wordt Biber weliswaar beschouwd als de componist. De meeste van Bibers andere religieuze werken zijn vrijwel nog onbekend en van zijn opera’s is alleen “Chi la dura la vince” bewaard.

Biber componeerde zijn Requiem à 15 in f klein, “con terza minore”, voor solisten, gemengd koor en orkest, met colla parte partijen voor 3 trombones, als “Trauermusik” voor de begrafenis van de prins-aartsbisschop van Salzburg en kardinaal, Maximilian Gandolph Reichsgraf von Khünberg (1622-1687) (foto’s). Het 5-delig Requiem bestaat uit I. Introitus, II. Dies Irae, III. Offertorium, IV. Sanctus en V. Agnus Dei – Communio.

Het vocaal ensemble Vox Luminis, opgericht door Lionel Meunier in 2004, werd winnaar van talrijke prestigieuze prijzen, waaronder verschillende Gramophone Awards en wordt nu beschouwd als een ijkpunt in de interpretatie van de grote werken van de Duitse barokmuziek. Hun onfeilbaar getrouwe en levendige benadering van muziek van Bach, Buxtehude en Scheidt heeft de groep bekend gemaakt. Deze alweer schitterende, nieuwe cd, opgenomen in de Église Saint-Jean L’Évangéliste van de mooie priorij in Beaufays in Chaudfontaine, bevat een belangrijk werk van Biber, een componist die tot nu toe afwezig was in hun discografie. De uitvoerders zijn Joost Swinkels (bastrombone), Marleen Leicher en Anna Schall (cornet), Carles Cristóbal (dulciaan), Lee Santana (luit), Torsten Johann (orgel en klavecimbel), Miguel Tantos-Sevillano (tenortrombone & Sackbut), Simen van Mechelen (alttrombone, sackbutist en contratenor), Hille Perl (viola da gamba), Werner Saller, Petra Müllejans en Veronika Skuplik (viool), Christa Kittel (altviool) en James Munro (contrabas & violone). Niet te missen.

Biber - Requiem
Vox Luminis, Freiburger BarockConsort, Lionel Meunier

Bron:Michel Dutrieue; Stretto – Magazine voor kunst, geschiedenis, filosofie, literatuur en muziek (stretto.be)

Als profetes van Apollo, waarzegster en voorspelster van tegenslagen en rampen, kwam de Sibille de christelijke wereld binnen als de eerste aankondiger van de komst van Christus en van zijn terugkeer op de dag des oordeels. In 2010 verklaarde Unesco “El Cant de La Sibilla” (Het Lied van de Sibille) van o.a. Alfonso X El Sabio, tot onderdeel van het immaterieel cultureel erfgoed van de mensheid. Het beschouwde “El Cant” als één van de meest fascinerende documenten van de middeleeuwse, Europese cultuur.
 
“El Cant de la Sibilla” is een gregoriaans, liturgisch drama, waarvan de tekst een profetie bevat die de Apocalyps beschrijft. Deze werd sinds de middeleeuwen, bijna ononderbroken opgevoerd in het Catalaans op kerstavond in kerken op Mallorca en Alghero (Sardinië), en in enkele Catalaanse kerken. De auteur is onbekend. De profetie werd voor het eerst opgetekend als een acrostichon gedicht in het Grieks door bisschop Eusebius van Caesarea en later in het Latijn vertaald door Sint-Augustinus. Het verscheen opnieuw in de 10de  eeuw op verschillende locaties in Catalonië, Italië, Castilië en Frankrijk in de preek Contra judeos, later ingevoegd in de lezing van de zesde les van de tweede nacht of nocturne van de metten, en werd uitgevoerd als een integraal onderdeel van de liturgie. Dit gezang werd oorspronkelijk in het Latijn gezongen onder de naam, Judicii Signum, maar vanaf de 13de eeuw zijn er versies in het Catalaans gevonden. Deze vroege Catalaanse versies van het Judici Signum zijn niet rechtstreeks uit het Latijn vertaald. In plaats daarvan komen ze alle uit een eerdere bewerking in het Provençaals, wat de populariteit aantoont die het gezang in het verleden moet hebben gehad.
 
Onder de Catalaanse teksten, bevindt zich een 14de eeuwse Codex die wordt bewaard in het archief van het Bisdom Mallorca, die in 1908 werd herontdekt. ​​Mondelinge overdracht en het gebrek aan geschreven kopieën  hebben ervoor gezorgd dat de verschillende oude teksten in de volkstaal in de loop van de tijd vele wijzigingen ondergaan, wat heeft geleid tot een diversiteit aan versies. Het Lied van de Sibille raakte nadat het Concilie van Trente (gehouden in 25 zittingen van 1545 tot 1563) verklaarde dat de uitvoering ervan verboden was, nagenoeg in heel Europa bijna volledig onbekend. Desalniettemin werd het in 1575 op Mallorca gerestaureerd.
 
Oorspronkelijk werd het Lied van de Sibille gezongen op een gregoriaanse melodie en, zoals te zien is in de eerder genoemde codex, werd de muzikale begeleiding die op Mallorca werd gespeeld, met uitzondering van enkele variaties, hetzelfde gedocumenteerd op andere plaatsen als op het Iberisch schiereiland. Tegenwoordig kan niet worden vastgesteld tot wanneer het Lied van de Sibille op deze gregoriaanse melodie werd gezongen, maar hoogstwaarschijnlijk tot de 16de – of 17de  eeuw. De mondelinge overdracht van het lied veroorzaakte, net als bij de tekst, de geboorte van verschillende variaties en modellen. Er was op de duur de Perzische, de Libysche, de Phrygische en de Cimmerische sibille, de sibille van Delphi, van Erythrae in Klein-Azië, van Samos, van Cumae (Amalthea, Herophile, Demophile), de sibille van de Hellespont en  die van Tibur (Albunea). De belangstelling voor hun gezang bij vroege musicologen en folkloristen uit de 19de  eeuw leidde tot de transcriptie van de verschillende bekende versies.In de Renaissance werd de gregoriaanse melodie van het lied door verschillende componisten  polyfoon getoonzet, wat in die periode gebruikelijk was. Twee van deze werken, beide vier stemmig, zijn te vinden in de “”Cancionero de la Colombina”, een Spaans manuscript uit de tweede helft van de 15de  eeuw. De tekst erin is een verkorte versie van het lied in het Castiliaans.
 
Deze bijzondere release, in navolging van deze van Boston Camerata o.l.v. Joel Cohen, bevat de Catalaanse versies van het lied, uitgevoerd in al zijn expressieve intensiteit door de aangrijpende interpretatie in de moedertaal van de zangeres, Eugenia Amisano, begeleid door de instrumentalisten en stemmen van het Musicaround Ensemble. Het programma bevat ook een selectie van zeldzame stukken die inhoudelijk zijn gerelateerd, in een reis die onthult hoe de profetie van de Sibille klonk op dit specifiek moment in de geschiedenis.
 
Bewerker en dirigent is Vera Marenco die, werkend met de verscheidenheid aan instrumentale en vocale krachten en met bijzondere zorg voor de koorpartijen, een nette, eigentijdse lezing, in evenwicht bracht met de populaire oorsprong van de ritus. Heel bijzonder.
De vocale uitvoerders zijn Eugenia Amisano, Anna Muroni, Chiara Longobardi, Maria Buzzalino, Laura Basso, Roberta Roveda, Francesca Lupino, Marina Grassi, Anna Rapetti en Cristina Parodi. Deze schitterende vocalisten staan samen met het Arkansé Choir o.l.v. Vera Marenco.

Tracklist :

  • Audi tellus, audi magni maris limbus (Bibliothèque municipale, MS lat. 6, Montpellier, 10th century)
  • Ordo prophetarum (Bibliothèque nationale de France, MS lat. 1139, St. Martial de Limoges, 11th-13th centuries] – Benedicamus Domino [Las Huelgas, Monasterio de Sta. María la Real, IX, Burgos, 1300)
  • El canto de la Sibilla (Catalan Oral Tradition)Veni venia veniae (Las Huelgas, Monasterio de Santa María la Real, IX, Burgos, ca. 1300)
  • Audi pontus, audi tellus (Las Huelgas, Monasterio de Santa María la Real, IX, Burgos, ca. 1300)
  • Cantigas de Santa Maria: No. 51. A madre de Deus
  • Splendidus regis thronus solaris – Leo bos et aquila regalis (Las Huelgas, Monasterio de Santa María la Real, IX, Burgos, ca. 1300)
  • Dies irae (Graduale Romanum, 1908)

 
El Cant de La Sibilla and other Sacred Medieval Works
Musicaround Ensemble - Vera Marenco, conductor and vielle - Eugenia Amisano
Dynamic - CDS7875

 
Bron: Stretto – Magazine voor kunst, geschiedenis, filosofie, literatuur en muziek (stretto.be); Michel Dutrieue.

De Tenebrae, ‘duisternis’, is een Rooms-Katholiek kerkelijk ritueel voor de laatste dagen van de Lijdensweek: Witte Donderdag, Goede Vrijdag en Stille Zaterdag. Gedurende die drie dagen worden één voor één kaarsen van een kandelaar gedoofd, totdat de kerk aan het eind van de derde nacht in totaal verduisterd is. De teksten voor de drie nachtelijke rituelen omvatten natuurlijk het lijdensverhaal uit de Evangeliën. Verder vonden de kerkvaderen die de teksten samenstelden de Klaagzangen van Jeremia passend, over de vernietiging van Jeruzalem door de Babyloniërs.

Psalm 51, het Miserere, kreeg een prominente plek, een zogeheten Boetepsalm van David, over een wat profaan onderwerp, Koning David’s buitenechtelijke verhouding met Bathseba, echtgenote van één van zijn commandanten, maar de tekst wordt blijkbaar opgevat als een algemeen gebed om vergeving van zonden. En er is een optimistischer gestemde tekst uit de Lofzangen van Zacharia, ‘Benedictus’, over de besnijdenis van Johannes de Doper, vooruitlopend op de geboorte van Christus, in zekere zin dus terug naar AF.

Vele componisten hebben zich ook op deze passages uit de liturgie gestort, waaronder Lassus, Byrd, Palestrina, Couperin en Haydn tot en met Poulenc, Strawinksy en Boulez, waarbij met name de Klaagzangen, als Lamentationes, populair waren. Gesualdo heeft die Klaagzangen niet gebruikt, maar Graindelavoix heeft zettingen in het Gregoriaans toegevoegd.

In het Festival Oude Muziek in Utrecht waar de Tenebrae werden uitgevoerd, moest het wat optimistischer Benedictus, dat de driedubbel-CD-opname besluit, het veld ruimen en werd het Miserere, dat nu aan het eind van CD-1 komt, tot slotstuk gepromoveerd.  Het is het enige stuk waarin Gesualdo het ‘responsoria’ idee intact heeft gelaten, solozang afgewisseld met ensemblezang, en de harmonieën zijn minder grillig, waardoor het een fraai berustende finale werd. En ook al is het Miserere somber gestemd, de boetedoening in de tekst kreeg daarmee een algemenere betekenis.

Zoals bekend schiep de edelman Carlo Gesualdo, prins van Venosa (1566 –1613), een eigen muzikaal universum, waarin hij, zo’n beetje met wat Bach aan het eind van de barok deed, strikt en aartsconservatief vasthield aan de muzikale beginselen van de tijd waarin hij was opgegroeid, de Renaissance, maar tegelijkertijd dat zo radicaal deed, met harmonieën vol dissonanten en steeds grilliger modulaties, dat zijn muziek ook ver vooruitkeek.

Gesualdo was muzikaal overigens van niemands waardering afhankelijk, hij schiep zijn muziek voor eigen gebruik. Dat kon hij zich permitteren. Zijn moeder was een Borromeo, van één van de invloedrijkste families van Italië, en een nicht van de Paus. Zijn eerste echtgenote was een prinses en een volle nicht. En terwijl we van enige mevrouw Monteverdi of mevrouw Palestrina zelden iets horen, zijn het de lotgevallen van die eerste echtgenote die het beeld van Carlo Gesualdo hebben bepaald.

Ik weet niet of Wagner bekend was met Gesualdo. Maar de plot van de opening van de tweede acte van Tristan und Isolde lijkt op het verhaal van de ontdekking van een buitenechtelijke relatie van zijn echtgenote. Op zekere avond deed Gesualdo alsof hij op jacht ging. Hij keerde vroegtijdig terug en trof echtgenote en haar minnaar in bed aan. Beiden reeg hij aan de degen. Het hooggerechtshof concludeerde echter: geen misdaad. Had die conclusie misschien iets te maken met zijn hoge positie? Neef van de Paus?

Hij hertrouwde, in een huwelijk dat ook weinig geluk zou brengen. Dat was met iemand uit de d’Este familie, van de Villa d’Este waaraan Liszt later een stuk zou opdragen in de Années de Pélerinage. Misschien is de plot voor de tweede acte van Tristan, waarin iets vergelijkbaars gebeurt, via Liszt bij Wagner terecht gekomen? Al met al genoeg reden voor latere boete en devotie. En die spreken uit deze muziek, de componist dan bovendien privé in een duistere kapel liet opvoeren.
 
Toen ik Graindelavoix voor het eerst hoorde, op hun CD met de Missa Caput van Ockeghem, kreeg ik visioenen van zingende Vlaamse boeren, met zand aan hun schoenen in een kathedraal. Lange slepende noten, en de boeren maar tegen elkaar opzingen. En ze dachten tijdens het zingen niet alleen aan de Goddelijke devotie, maar ook het bier die klaar zou staan na de mis, en het feest dat plaats zou vinden als op een schilderij van Brueghel.

Vandaar dat de lange slepende noten, die uit volle borst gezongen gezamenlijke crescendos en glijdende uithalen. Let wel, er waren kathedraalscholen, en de regio was welvarend, dus men kon zich riante zangopleidingen permitteren. Maar het is zeker dat men daar geen zangtechnieken onderwees zoals we die kennen sinds de opkomst van het belcanto.

Dat slepen en glijden in de intonaties klinkt als de traditionele zangtechnieken die heden ten dage nog steeds worden toegepast in de Oosters-Orthodoxe kerken, de zang van Corsica en Sardinië, en ook in de Arabische en Turkse muziek. Maar was het niet de kerkvader Sint-Augustinus, zelf Berbers, die de muziek in de Roomse kerk maar saai vond, en elementen van de muziek van thuis in de eredienst introduceerde?

Om te horen hoe dat zou hebben kunnen klinken, hadden Marcel Pérès en zijn ensemble Organum al met zangers uit Mediterrane tradities geëxperimenteerd, in vroege kerkmuziek van Rome tot aan Vlaamse polyfonie van Josquin de Prez. Graindelavoix bouwt hier min of meer op voort, stortte zich naast Vlaamse polyfonie zelfs op Engelse Renaissance, muziek waarvan je dacht dat die voorbehouden was aan Engelse ensembles met strakgetrokken intonaties. En nu is Graindelavoix aangeland bij min of meer het sluitstuk van de Renaissancemuziek, Gesualdo’s Tenebrae.

De passages uit de Klaagzangen van Jeremia worden afwisselend gezongen door de Est Marius Peterson, in de Rooms-Katholieke Gregoriaanse traditie van zijn land, en de Roemeen Adrian Sirbu, doorkneed in de Balkan-Orthodoxe zangstijl. Voor de madrigalen omvat het ensemble daarnaast ook de mannelijke alt Razek-François Bitar, met een Syrisch-Orthodoxe achtergrond, en een Italiaan, een Spanjaard en een Schots/Maltese, verder een Amerikaans/Zweedse, en tenslotte twee Vlamingen, waaronder oprichter en dirigent Björn Schmelzer zelf.

Al die Mediterrane intonaties toegepast op Gesualdo’s chromatiek, dissonanten en toonsoortveranderingen grijpen je bij de maag. Is dit een aanbeveling? Ja……. Pijn kan een gevoel van welbehagen achterlaten. Het is verslavend.

Dit is de eerste complete opname sinds jaren, andere relevante ensembles hebben afzonderlijk delen op CD gezet, zoals de Tallis Scholars, sereen, maar afstandelijk, en het Hilliard Ensemble, intiem en menselijk, maar ook wat monotoon. Bij Graindelavoix wordt het drama, het passieverhaal is drama.
 
Carlo Gesualdo
Tenebrae
Graindelavoix o.l.v. Björn Schmelzer
Glossa GCD P32116 - 3CD's

 

Bron: Neil van der Linden, Basia con Fuoco (basiaconfuoco.com)

In een imaginair maar veelzijdig spektakel, gesitueerd ergens rond 1470, rond de grootste pre-Renaissance componist, Guillaume Dufay, betreden we met deze heel, heel bijzondere cd, de wereld van een groots huwelijksfeest op nieuwjaarsdag, gevierd met motetten en chansons van Dufay, en met feestelijke instrumenten om de pracht en praal luister bij te zetten.

Uit de laatste bloei van het middeleeuws tijdperk horen we in de typische Bourgondische virtuositeit van de vocale polyfone motetten van Dufay, hoe zijn muzikale rijkdom van de “formes fixes”, “stile fermata”, Faux bourdon harmonisering (basis van de harmonische sonoriteit van de Renaissance) en “Ars subtilior” (isoritmie), en zijn combinatie van elementen uit de “Ars nova”, de polyfone “English manner” van John Dunstable, en Italiaanse madrigalismen, het punt bereikte waarop zijn muziek, stilistisch en expressief, overging in de nieuwe, muzikale artisticiteit en ideeën van de Renaissance. Het Dufay-spektakel viert op deze cd het genie van Dufay met een eclectische voorstelling van vocale en instrumentale, stoeiende en gepassioneerde robuustheid, klaaglijke devotionele passie, nu eens met trage, donkere ritmes, dan weer met vrolijke cascades van melodieën, en opwindende complexe ritmes. 

Zoals het chanson “Ce jour de l’an”, dat op de cd centraal staat zijn belofte voor het nieuwe jaar inluidt (één keer monodisch gezongen door de bariton Stephen Charlesworth en twee geïmproviseerde versies op vihuela d’arco en psalterium), is “Ce jour de l’an” daadwerkelijk een dag om te vieren. Bepaalde van de 25 opgenomen chansons (rondeaux en ballades) en isoritmische en vrije motetten (bv. “Vergene bella”) op deze cd, werden effectief gecomponeerd voor feestelijke aangelegenheden. “Resvelliés Vous” werd gecomponeerd voor het huwelijk in 1423 van Carlo I Malatesta en Vittoria Colonna (Dufay was in Rimini in dienst van de condottiero, Carlo Malatesta), “Salve Flos Tuscae Gentis” werd gecomponeerd voor de bevolking van Firenze, en “Ecclesiae Militantis” werd gecomponeerd voor Paus Eugenius IV (foto). In 1434, werd Dufay nl. kapelmeester van Louis I, hertog van Savoye. Paus Eugenius IV leunde sterk op de steun van deze hertog. 

Het ensemble “Gothic Voices” (Catherine King, Steven Harrold, Julian Podger en Stephen Charlesworth) wordt hier vergezeld door de mezzosopraan Clare Wilkinson en de instrumentalisten Jane Achtman, vihuela d’arco en vedel, Andrew Lawrence-King, orgel, regaal, harp en psalterium, Keith McGowan, dulciaan en chalumeau, en Emily White, sackbut. De feestelijk motetten en de chansons worden op de cd programmatisch onderverdeeld in 4 thematische episoden, “Ce jour de l’an”, “A Reflection”, “Solemn Celebration” en “Playful Celebration”. 

De vier leden van “Gothic Voices” en hun vijf gasten, presenteren met deze cd een magistrale, sfeervolle evocatie van de immense, poëtische en muzikale rijkdom van het tijdperk van de Bourgondiërs, de hussieten, het concilie van Bazel (1431) en de tijd van de tegenpausen (bvb. Amadeus van Savoye als Paus Felix V). De schitterende uitvoering getuigt zowel vocaal als instrumentaal, van een weergaloze technische en expressieve perfectie. Magistraal! Niet te missen!

Dufay componeerde zijn chansons in de vorm van rondeau, virelai of ballade. Het Orlando Consort koos voor hun schitterende hyperion cd, 18 chansons die een goed sonoor beeld geven van die verschillende vormen. Wanneer Constantinopel in 1453 in handen van de Turken viel, componeerde Dufay bv. vier klaagzangen. Slechts één, “O tres piteulx”, overleefde de tijd. Het bevat tekst uit het Boek Klaagliederen, waarboven de andere tekst van de discant (bovenste stem) uit twee strofen bestaat met het zeer ongebruikelijk rijmschema aba aab / bcc dcd. Het chanson was denkbaar gericht aan het pauselijk hof van de Napolitaanse Calixtus III (foto), gekozen in 1455. 

“Je vous pri” heeft ook verschillende teksten tegelijkertijd, maar op een heel andere manier. Boven de melodieën in de lagere stemmen, duidelijk populaire liedjes, kreeg de discant een perfect standaard rondeau stanza in de meer hoofse stijl dan de meeste andere chansons van Dufay. Hoewel er een behoorlijk aantal van dergelijke ‘combinerende chansons’ is, met name uit de jaren 1460 en 1470, is dit het enige voorbeeld, gecomponeerd door  Dufay. 

In “La dolce vista”, waarschijnlijk een vroeg werk, herinnert de tekstherhaling aan de stijl van de laatste werken van Johannes Ciconia, die ook invloed had op de vorm van Dufay’s vroeg motet Vasilissa ergo gaude (1420). “Je me complains” is een ballade rond een drieklank. Dit is de enige keer dat Dufay die techniek gebruikte. Het had zijn wortels in de veertiende eeuw bij Guillaume de Machaut, maar was zeer zeldzaam in de vijftiende eeuw, tot de generatie na Dufay het opnieuw opnam. Het enige bekend manuscript van het chanson is gedateerd 12 juli 1425.

“Mon chier amy” is ook een ballade, dit keer met zijn volledige drie strofen plus een ‘envoi’ aan het eind. De tekst is een condoleance voor een vriend, misschien gecomponeerd ter gelegenheid van het overlijden van Pandolfo Malatesta in 1427. Of misschien is de verwijzing in de derde strofe ‘Ces trois chapiaux’, een verwijzing naar de pauselijke, drievoudige tiara, in welk geval het chanson kan worden geadresseerd aan Paus Eugenius IV bij het overlijden in 1431 van paus Martin V (foto). Dufay was nl. in dienst van beide.

“Malheureulx cueur” is een virelai. De muziek, net als het gedicht, komt vrijwel zeker uit de jaren 1450 en is mogelijks één van de laatste chansons die we van Dufay kennen. De Frygische modus, gekenmerkt door de verlaagde, tweede graad, draagt ​​treffend bij aan het pathos van het chanson, net als het buitengewoon zuinig maar subtiel van compositorische middelen.

“Pouray je avoir vostre merci ?”, ook een rondeau, is één van de voorbeelden waarin Dufay verwees naar een bepaalde dag in de hoofse kalender, in dit geval Nieuwjaarsdag, de dag waarop de minnaar zijn dame smeekt om zijn avances te willen accepteren. Gezien het feit dat in die jaren de enige bekende associatie van Dufay met het hof, dit van de Malatesta’s was, is het gepast er aan te herinneren, dat de meeste Noord-Italiaanse hoven, destijds Frans leken te prefereren als de taal van hun wereldlijke muziek. De sublieme uitvoerders, vocale solisten van het Orlando Consort, zijn Matthew Venner, contratenor, Mark Dobell, tenor, Angus Smith, tenor en Donald Greig, bariton. Een buitengewoon mooie cd die u geenszins mag missen!

The Dufay Spectacle - Gothic Voices - cd LINN CKD 568

Guillaume Dufay - The Orlando Consort - cd Hyperion CDA68236

Bron: stretto.be

Welkom bij Clubs!

Kijk gerust verder op deze club en doe mee.

Wat is dit?


Of maak zelf een Clubs account aan: