Oude muziek van Hildegard von Bingen tot Antonio Vivaldi

Logo MA 

- Welkom bij Musiqua Antiqua - 

logoem.giflogoem.gifDeze club gaat over de Oude Muziek of Musica Antiqua; van de Middeleeuwse componiste Hildegard von Bingen (1098-1179) tot de barokcomponist Antonio Vivaldi (1678-1741). 

Hier vind je informatie over de muziekgeschiedenis, nieuwe CD's, componisten, muzikanten - via de tab "Nieuws". Er is een zeer grote verzameling oude muziek videoclips - te vinden via de tab "Videoalbums".

Wat is 'oude muziek'? Oude Muziek of Musiqua Antiqua is de verzamelnaam voor muziek uit de Middeleeuwen, de Renaissance en de Barok. Met deze term maakt men een onderscheid tussen de muziek uit deze "pre-klassieke" periode met de rest van de klassieke muziek. Bij de uitvoering van oude muziek wordt vaak teruggegrepen naar instrumenten uit de tijd waarin de muziek geschreven is. Geprobeerd wordt de muziek uit te voeren zoals de betreffende componist oorspronkelijk bedoeld heeft. Dat geeft een zeer bijzondere sfeer aan de muziek, dat vooral bij een liveoptreden goed tot uiting komt.Van belang is dat deze muziek ook daadwerkelijk 'oud' klinkt en wordt uitgevoerd op authentieke instrumenten. Daarnaast dient de uitvoering te klinken op een wijze die een componist honderden jaren geleden vertrouwd in de oren zou hebben geklonken. Deze club gaat dus over muziek van middeleeuwen tot het einde van de late Barok, juist op het moment dat de klassieke periode zichzelf vestigde als de voornaamste muzikale stijl (in de tweede helft van de 18de eeuw).

logo-black_on.png 55196.png Radio44.jpg

Concertzender biedt een themakanaal Oude Muziek aan

Hoewel de lyrische kunst rijk is aan muziek die de mythe van Orpheus oproept, is deze nieuwe, magnifieke opname van twee composities van Marc-Antoine Charpentier (1643-1704), een meer dan welkome bijdrage. Op de cd staan de cantate “Orphée descendant aux enfers”, H. 471 en de kameropera, “La Descente d’Orphée aux enfers” H.488. 

“Orphée descendant aux enfers” voor drie solo stemmen, is een korte compositie die met zeldzame verfijning, de pijn van de held, veroordeeld tot een eindeloze kwelling, weergeeft. Geen Eurydice, geen koor van helse geesten, zelfs geen grote tragische effecten. Het is de uitdrukking van affecten met meditatie en gevoel. Hier geen lier voor de dichter maar een viool, dichter bij de menselijke stem, die de woorden van Orpheus begeleidt of overneemt. Dit is een gelegenheid om volop te genieten van de prachtige interpretatie van het ensemble A Nocte Temporis, die de diepgang van het muzikaal discours weergeeft met opmerkelijke fijngevoeligheid.

“La Descente d’Orphée aux Enfers”, Charpentiers laatste kameropera, werd gecomponeerd voor Mademoiselle de Guise, Marie de Lorraine, Duchesse de Guise, Duchesse de Joyeuse, Princesse de Joinville (1615-1688). Vanaf 1670 begon Marc-Antoine Charpentier te componeren voor de Guise. Mlle de Guise beschermde hem en vergrootte zijn carrière door opdrachten voor hem te bekomen van hen die haar patronage opzochten. Gedurende achttien jaar bevorderde haar patronage een groot aantal composities, waarvan de meeste religieuze muziek, sterk beïnvloed door de Italiaanse muziek. In 1672 gaf ze Charpentier de kans om een comédie-ballet te componeren bij Molière’s “Le Malade Imaginaire”.

Boven de subtiele sonoriteit van de instrumenten, ontvouwt de heldere en zuivere stem van Reinoud Van Mechelen zich met een onberispelijke dictie en de reconstructie van de barokke uitspraak met constante aandacht voor de tekst. Deze vocale en muzikale kwaliteiten worden bevestigd in het tweede werk van het programma, “La Descente d’Orphée aux Enfers”, een kameropera waarvan de derde akte nooit werd geschreven of verloren is gegaan. Gecomponeerd in 1686 of 1687 in het huis van Marie de Lorraine, hertogin van Guise, brengt het werk de dood van Eurydice in scène en vervolgens de reis van Orpheus door de onderwereld, tot Pluto ermee instemt hem terug te brengen naar zijn overleden vrouw.

Het werk biedt een breed scala aan personages en sferen, evenals een meer substantiële orkestratie. Als de Franse uitspraak van de bijrollen soms wat te wensen overlaat, zijn alle zangers (met uitzondering van Déborah Cachet, van het ensemble Vox Luminis) ervaren in de barokstijl en maken de interpretatie levend. Van bijzonder belang is de uitvoering van het trio Ixion/Tantalum/Titye, respectievelijk belichaamd door Raphael Höhn, Philippe Froeliger en Lionel Meunier, evenals de Proserpine van Stefanie True en de Pluto van Geoffroy Buffière, die bewijzen echt gevoel voor dramaturgie te hebben.

De mythe van Orpheus was net zo belangrijk voor de geboorte van de opera in Frankrijk als in Italië. Met Orphée aux Enfers, opmerkelijk voor zijn stijl en beknoptheid, liet Charpentier zien hoe goed hij de kunst van Carissimi had geassimileerd. Het is een dramatische scène, vergelijkbaar met de oratoria van de Romeinse meester. De tekst van een onbekende auteur, vertelt de zoektocht van Orpheus naar zijn geliefde in de onderwereld. De haute-contre van de held, het vocaal register van Charpentier zelf, geeft hem een elegisch timbre. 

In 1687 creëerde Charpentier zijn tweede toonzetting van de mythe, “La Descente d Orphée aux Enfers”. Vanuit de twee akten is de omvang van een oorspronkelijk complete opera te onderscheiden. Hoewel “La Descente d’Orphée” al verschillende keren is opgenomen, is de “Orphée” uit 1684 een zeldzaamheid en een prachtige ontdekking. In deze twee rollen bevindt Reinoud van Mechelen zich op het hoogtepunt van zijn kunstenaarschap, terwijl zijn ensemble A Nocte Temporis en Vox Luminis van Lionel Meunier, in een perfecte symbiose in elkaar versmelten. Magnifiek!

De uitvoerders zijn Déborah Cachet, Geoffroy Buffière, Stefanie True, Reinoud Van Mechelen, A Nocte Temporis, Philippe Froeliger, Clara Coutouly, Raphael Höhn, Victoria Cassano en Zsuzsi Tóth, en Vox Luminis o.l.v. Lionel Meunier.

Charpentier - Orphée aux enfers
Vox Luminis, A Nocte Temporis, Reinoud Van Mechelen, Lionel Meunier
CD uitgegeven onder het label Alpha

 
Bron: stretto.be, Michel Dutrieue

Tegenwoordig geldt “Messiah” als een absoluut meesterwerk van de barokmuziek. Het is één van de meest uitgevoerde en opgenomen composities, met een rijke uitvoeringstraditie rond Kerstmis in de hele westerse wereld.

In de nazomer van 1741 componeerde Händel in slechts vierentwintig dagen tijd, een oratorium vol aria’s en melodieuze refreinen, met teksten uit de “King James Bible” en psalmteksten uit het “Book of Common Prayer”. De tekst van “Messiah” was een samenstelling van een groot aantal losse, korte teksten uit het Oude en het Nieuwe Testament. Het werk werd opgesplitst in de profetieën in het Oude Testament met de verkondiging van de Messias, zijn dood, de opstanding en de hemelvaart, en zijn wederkomst en heerschappij. De première als benefietconcert in de Great Music Hall (foto) in Fishamble Street in Dublin in 1742 van dit vernieuwend werk, was een succes. William Cavendish, de 3de Hertog van Devonshire en Lord Lieutenant (de vertegenwoordiger van de Britse vorst) (foto) van Ierland, had Händel nl. uitgenodigd voor medewerking tijdens het winterseizoen aan een aantal liefdadigheidsconcerten in Dublin.

De eerste twee delen behandelen de verwachting van de Messias en zijn komst op aarde, de weg van zijn lijden en sterven, zijn opstanding en hemelvaart en de verbreiding van zijn boodschap in de wereld, die bekroond zal worden met zijn uiteindelijke overwinning. Het derde deel dat de helft korter is dan de eerste twee delen, bezingt de doorwerking van de verlossing door Christus als overwinnaar op de dood en de glorie die als dank voor die verlossing aan God en zijn Gezondene wordt toegebracht.

“Messiah” heeft in de loop der eeuwen veel verschillende orkestraties beleefd. Er bestaan wel zes versies. In 1856 richtten de musicoloog Friedrich Chrysander en de literaire historicus Georg Gottfried Gervinus in Leipzig, de “Deutsche Händel-Gesellschaft” op met als doel authentieke edities van de werken van Händel te publiceren. Tegelijkertijd werd “Messiah” in New York in 1853 uitgevoerd met een koor van 300 man en in Boston in 1865, met meer dan 600 man. In Groot-Brittannië werd in 1857, een “Great Handel Festival” gehouden in het Crystal Palace, waarbij “Messiah” en andere Händel oratoria, met een koor van 2.000! zangers en een orkest van 500 leden werden uitgevoerd.

Verschillende, historische reconstructies zijn ondertussen opgenomen. De Dublin-versie uit 1742 door Scherchen in 1954 en in 1959, en door Jean-Claude Malgoire in 1980, en er zijn verschillende opnamen van de versie van het Foundling Hospital uit 1754, waaronder die o.l.v. Christopher Hogwood ( 1979), Andrew Parrott (1989) en Paul McCreesh. In 1973 voerde David Willcocks “Messiah” uit voor waarin alle sopraan-aria’s werden gezongen door de jongens van het Choir of King’s College, Cambridge, en in 1974, voerde Charles Mackerras de georkestreerde versie met klarinetpartijen van Mozart uit, in het Duits gezongen. De versie van Mozart was een opdracht van Baron Gottfried van Swieten en het “Gesellschaft der Associierten”. Maar, welke instrumenten horen eigenlijk onderdeel uit te maken van het orkest? In welke bezetting voltrok zich de première in Dublin en hoe ging dit een jaar later in Covent Garden in Londen? 

In 1902 had de Engelse componist, theoreticus en docent, Ebenezer Prout (1835-1909) (foto), de oorspronkelijke partijen van de houtblazers ontdekt, en tegen het einde van de jaren zeventig, leidden de nieuwe editie van de Britse musicoloog Watkins Shaw (1911-1996) (foto) uit 1965 (Shaw had in 1963 “The Story of Handel’s ‘Messiah’, 1741-1784” geschreven), en het geheel van de musicologische zoektocht naar de authenticiteit, tot uitvoeringen op oude instrumenten en tot de oorspronkelijke bezetting van het koor en instrumentaal ensemble, en historische speelstijlen. De eerste van dergelijke versies werd geleid door twee specialisten in oude muziek, Christopher Hogwood (in 1979) en John Eliot Gardiner (in 1982). Leuk om weten is dat Prout in die mate een lievelingscomponist had, dat hij zijn zoon de voornamen…Louis Beethoven gaf. Louis Beethoven Proud (1864–1943) werd entomoloog (meer bepaald, een specialist van vlinders (Lepidoptera)) en musicoloog.

De schepping van Handels “Messiah” was, in meer dan één betekenis, een geloofsdaad van twee bijzondere mannen, Georg Friedrich Handel en zijn vriend, literator en muziekliefhebber, landeigenaar en mecenas, Charles Jennens (1700-1773) (foto). Jennes schreef naar alle waarschijnlijkheid ook de libretti van Handels “Saul”, “Israel in Egypt”, “l’Allegro, il Penseroso ed il Moderato” en “Belshazzar”. “Messiah, an Oratorio” of “A New Sacred Oratorio” was een volkomen nieuw fenomeen in het oratoriumgenre. Daardoor was een gunstige ontvangst ten tijde van de eerste uitvoering weliswaar niet vanzelfsprekend. In een culturele omgeving die beheerst werd door regels, normen, betamelijkheid en decorum, had een uniek muzikaal kunstwerk als “Messiah”, tijd nodig om voet aan de grond te krijgen bij publiek en uitvoerders.

“Messiah” was een verhaal over doorzettingsvermogen, overleving en uiteindelijke triomf, de levensbeschrijving van een uitmuntend kunstwerk in een tijdspanne van meer dan een tweeënhalve eeuw. Na Handels overlijden in 1759 werd “Messiah” al snel het slachtoffer van zijn eigen populariteit, een cultusobject dat de veelzijdigheid en originaliteit van het breder oeuvre van de meester op het gebied van opera, kerkmuziek, cantates en instrumentale composities aan het zicht onttrok. Pas in de 20ste eeuw werd de partituur zoals die oorspronkelijk was opgezet en werd uitgevoerd, geleidelijk herontdekt, zodat de bijzondere verhalende kracht van het werk een gelukkige apotheose beleefde die in Handels eigen tijd met al zijn gevoeligheden, als volkomen passend zou zijn ervaren.

Dienaangaande is deze nieuwe opname één van de absolute hoogtepunten in de receptiegeschiedenis van dit meesterwerk. De uitvoerders zijn Rachel Redmond (sopraan), Damien Guillon (contratenor) Nicholas Mulroy (tenor) en Matthias Winckhler (bas), en La Capella Reial de Catalunya en Le Concert des Nations o.l.v. Jordi Savall. Daarenboven gaat het hier over een bijzonder mooi uitgegeven Live opname in de kapel van het kasteel van Versailles. Meesterlijk. Niet te missen!

Georg Friedrich Handel - Messiah
La Capella Reial de Catalunya & Le Concert des Nations
Jordi Savall
2 cd Alia Vox AVSA9936

 
Bron: Michel Dutrieue, Stretto – Magazine voor kunst, geschiedenis en muziek (stretto.be).

Cristóbal de Morales was één van de grootste componisten van het midden van de 16de eeuw. Na in Sevilla op uitzonderlijk vroege leeftijd als koorknaap aan de kathedraal te zijn opgeleid door Pedro Fernández de Castilleja en Francisco de Peñalosa, specialisten van Nederlandse polyfonie, werd Morales in 1526 kapelmeester van de kathedraal van Ávila.

Van 1529 tot 1531 was de Morales (ca.1500-1553) verbonden aan de kathedraal van Plasencia in de provincie Cáceres in Extremadura. Omstreeks 1535 ging hij naar Rome, waar hij zanger werd aan de pauselijke kapel. Daar bleef tot 1545 in dienst van het Vaticaan. Na zijn verblijf in Italië keerde hij naar Spanje terug, waar hij opeenvolgende betrekkingen had. In o.a. Toledo volgde hij Andrés de Torrentes op en was er de leraar van de jonge Francisco Guerrero. De laatste levensjaren bracht Morales door in Marchena in de Spaanse provincie Sevilla, in dienst van de hertog van Arcos en vervolgens in Málaga, waar hij kapelmeester van de kathedraal (foto) was.

De bekendheid en invloed van Cristóbal de Morales waren enorm in zijn eigen tijd. Meer dan 70 afdrukken vóór 1600 bevatten enkele van zijn composities. De werken van de musicus uit Sevilla waren niet alleen een essentieel onderdeel van het repertoires van de belangrijkste kerken en kathedralen van Spanje en Amerika tot het einde van de moderne tijd, maar ze genoten ook buitengewoon prestige onder theoretici en historici. Hij werkte alleen voor korte periodes in Spanje en zijn naam blijft verbonden aan het decennium dat hij doorbracht aan de pauselijke kapel van paus Paulus III, van 1535 tot 1545. 

In Rome vervulde hij zijn verantwoordelijkheden als cantor naast collega’s zoals Costanzo Festa, Jacques Arcadelt en Juan Escribano. Morales was vooral geïnteresseerd in teksten voor de vastentijd, waaronder de viering van Aswoensdag en de zondagen van Septgramsima, Sexagesima en Quinquagesima. La Grande Chapelle profiteert hier ten volle van het uitgebreid aantal van deze motetten op liturgische teksten voor de Vastentijd,  om op een schitterende wijze een groot componist te eren.

“La Grande Chapelle” is een Spaans vocaal en instrumentaal ensemble van Oude religieuze muziek, opgericht in 2005. Hun naam is ontleend aan de muziekkapel in Bourgondië, waaraan musici/componisten als Nicolás Gombert, Philippe Rogier, Pierre de La Rue en Mateo Romero verbonden waren. De Catalaanse musicoloog Albert Recasens volgde zijn vader, de dirigent Ángel Recasens, na zijn overlijden in augustus 2007, op als directeur van het ensemble. Wat met vader Recasens en zijn Capilla Príncipe de Viana begon, het uitvoeren van Spaanse muziek uit de Gouden Eeuw, wordt nu door de zoon voortgezet met “La Grande Chapelle”, Lauda is daarbij hun eigen label.

Op de cd staan 15 meesterlijke motetten van Morales, Circumdederunt me a 5; Simile est regnum coelorum/Cum sero autem factum esset a 4; Cum turba plurima a 4; Immutemur habitu/Iuxta vestibulum a 4; Inter vestibulum et altare a 4; Emendemus in melius a 5; Clamabat autem mulier/At illa venit a 5; Quanti mercenarii/Pater Peccavi a 6; Lamentabatur Iacob a 5; Accepit Iesus panes a 4; Peccantem me quotidie a 4; O Crux ave spes unica a 5; Stabant autem a 4; Vigilate et orate a 4, en Per tuam crucem/Miserere nostri a 4.

 

Cristóbal de Morales
Lamentabatur Iacob
La Grande Chapelle - Albert Recasens
cd Lauda LAU019

 

Bron: Michel Dutrieue; Stretto – Magazine voor kunst, geschiedenis en muziek (stretto.be)

In een imaginair maar veelzijdig spektakel, gesitueerd ergens rond 1470, rond de grootste pre-Renaissance componist, Guillaume Dufay, betreden we met deze heel, heel bijzondere cd, de wereld van een groots huwelijksfeest op nieuwjaarsdag, gevierd met motetten en chansons van Dufay, en met feestelijke instrumenten om de pracht en praal luister bij te zetten.

Uit de laatste bloei van het middeleeuws tijdperk horen we in de typische Bourgondische virtuositeit van de vocale polyfone motetten van Dufay, hoe zijn muzikale rijkdom van de “formes fixes”, “stile fermata”, Faux bourdon harmonisering (basis van de harmonische sonoriteit van de Renaissance) en “Ars subtilior” (isoritmie), en zijn combinatie van elementen uit de “Ars nova”, de polyfone “English manner” van John Dunstable, en Italiaanse madrigalismen, het punt bereikte waarop zijn muziek, stilistisch en expressief, overging in de nieuwe, muzikale artisticiteit en ideeën van de Renaissance. Het Dufay-spektakel viert op deze cd het genie van Dufay met een eclectische voorstelling van vocale en instrumentale, stoeiende en gepassioneerde robuustheid, klaaglijke devotionele passie, nu eens met trage, donkere ritmes, dan weer met vrolijke cascades van melodieën, en opwindende complexe ritmes. 

Zoals het chanson “Ce jour de l’an”, dat op de cd centraal staat zijn belofte voor het nieuwe jaar inluidt (één keer monodisch gezongen door de bariton Stephen Charlesworth en twee geïmproviseerde versies op vihuela d’arco en psalterium), is “Ce jour de l’an” daadwerkelijk een dag om te vieren. Bepaalde van de 25 opgenomen chansons (rondeaux en ballades) en isoritmische en vrije motetten (bv. “Vergene bella”) op deze cd, werden effectief gecomponeerd voor feestelijke aangelegenheden. “Resvelliés Vous” werd gecomponeerd voor het huwelijk in 1423 van Carlo I Malatesta en Vittoria Colonna (Dufay was in Rimini in dienst van de condottiero, Carlo Malatesta), “Salve Flos Tuscae Gentis” werd gecomponeerd voor de bevolking van Firenze, en “Ecclesiae Militantis” werd gecomponeerd voor Paus Eugenius IV (foto). In 1434, werd Dufay nl. kapelmeester van Louis I, hertog van Savoye. Paus Eugenius IV leunde sterk op de steun van deze hertog. 

Het ensemble “Gothic Voices” (Catherine King, Steven Harrold, Julian Podger en Stephen Charlesworth) wordt hier vergezeld door de mezzosopraan Clare Wilkinson en de instrumentalisten Jane Achtman, vihuela d’arco en vedel, Andrew Lawrence-King, orgel, regaal, harp en psalterium, Keith McGowan, dulciaan en chalumeau, en Emily White, sackbut. De feestelijk motetten en de chansons worden op de cd programmatisch onderverdeeld in 4 thematische episoden, “Ce jour de l’an”, “A Reflection”, “Solemn Celebration” en “Playful Celebration”. 

De vier leden van “Gothic Voices” en hun vijf gasten, presenteren met deze cd een magistrale, sfeervolle evocatie van de immense, poëtische en muzikale rijkdom van het tijdperk van de Bourgondiërs, de hussieten, het concilie van Bazel (1431) en de tijd van de tegenpausen (bvb. Amadeus van Savoye als Paus Felix V). De schitterende uitvoering getuigt zowel vocaal als instrumentaal, van een weergaloze technische en expressieve perfectie. Magistraal! Niet te missen!

Dufay componeerde zijn chansons in de vorm van rondeau, virelai of ballade. Het Orlando Consort koos voor hun schitterende hyperion cd, 18 chansons die een goed sonoor beeld geven van die verschillende vormen. Wanneer Constantinopel in 1453 in handen van de Turken viel, componeerde Dufay bv. vier klaagzangen. Slechts één, “O tres piteulx”, overleefde de tijd. Het bevat tekst uit het Boek Klaagliederen, waarboven de andere tekst van de discant (bovenste stem) uit twee strofen bestaat met het zeer ongebruikelijk rijmschema aba aab / bcc dcd. Het chanson was denkbaar gericht aan het pauselijk hof van de Napolitaanse Calixtus III (foto), gekozen in 1455. 

“Je vous pri” heeft ook verschillende teksten tegelijkertijd, maar op een heel andere manier. Boven de melodieën in de lagere stemmen, duidelijk populaire liedjes, kreeg de discant een perfect standaard rondeau stanza in de meer hoofse stijl dan de meeste andere chansons van Dufay. Hoewel er een behoorlijk aantal van dergelijke ‘combinerende chansons’ is, met name uit de jaren 1460 en 1470, is dit het enige voorbeeld, gecomponeerd door  Dufay. 

In “La dolce vista”, waarschijnlijk een vroeg werk, herinnert de tekstherhaling aan de stijl van de laatste werken van Johannes Ciconia, die ook invloed had op de vorm van Dufay’s vroeg motet Vasilissa ergo gaude (1420). “Je me complains” is een ballade rond een drieklank. Dit is de enige keer dat Dufay die techniek gebruikte. Het had zijn wortels in de veertiende eeuw bij Guillaume de Machaut, maar was zeer zeldzaam in de vijftiende eeuw, tot de generatie na Dufay het opnieuw opnam. Het enige bekend manuscript van het chanson is gedateerd 12 juli 1425.

“Mon chier amy” is ook een ballade, dit keer met zijn volledige drie strofen plus een ‘envoi’ aan het eind. De tekst is een condoleance voor een vriend, misschien gecomponeerd ter gelegenheid van het overlijden van Pandolfo Malatesta in 1427. Of misschien is de verwijzing in de derde strofe ‘Ces trois chapiaux’, een verwijzing naar de pauselijke, drievoudige tiara, in welk geval het chanson kan worden geadresseerd aan Paus Eugenius IV bij het overlijden in 1431 van paus Martin V (foto). Dufay was nl. in dienst van beide.

“Malheureulx cueur” is een virelai. De muziek, net als het gedicht, komt vrijwel zeker uit de jaren 1450 en is mogelijks één van de laatste chansons die we van Dufay kennen. De Frygische modus, gekenmerkt door de verlaagde, tweede graad, draagt ​​treffend bij aan het pathos van het chanson, net als het buitengewoon zuinig maar subtiel van compositorische middelen.

“Pouray je avoir vostre merci ?”, ook een rondeau, is één van de voorbeelden waarin Dufay verwees naar een bepaalde dag in de hoofse kalender, in dit geval Nieuwjaarsdag, de dag waarop de minnaar zijn dame smeekt om zijn avances te willen accepteren. Gezien het feit dat in die jaren de enige bekende associatie van Dufay met het hof, dit van de Malatesta’s was, is het gepast er aan te herinneren, dat de meeste Noord-Italiaanse hoven, destijds Frans leken te prefereren als de taal van hun wereldlijke muziek. De sublieme uitvoerders, vocale solisten van het Orlando Consort, zijn Matthew Venner, contratenor, Mark Dobell, tenor, Angus Smith, tenor en Donald Greig, bariton. Een buitengewoon mooie cd die u geenszins mag missen!

The Dufay Spectacle - Gothic Voices - cd LINN CKD 568

Guillaume Dufay - The Orlando Consort - cd Hyperion CDA68236

Bron: stretto.be

De invloed van Jean-Baptiste Lully op de ontwikkeling van het grand motet was van doorslaggevend belang in de 17de eeuw. Ter gelegenheid van het 350-jarig jubileum van de Académie Royal de Musique, hebben Leonardo García Alarcón, het Millenium Orchestra en de Chœur de chambre de Namur op één cd, drie van zijn meest gevierde motetten verzameld, Dies Irae, De Profundis en Te Deum. Theatrale grootsheid is hét kenmerk van deze versie, opgenomen in de Chapelle Royale van het kasteel van Versailles.

Lully staat opnieuw in de schijnwerpers in 2019, en dit ter gelegenheid van de 350ste verjaardag van de Académie Royale de Musique, waarvan hij van 1672 tot zijn overlijden in 1687, de leiding had. Hoewel Lully nooit een officiële functie bekleedde aan de Chapelle du Roi, was zijn invloed op de ontwikkeling van het grootse motet, zo typisch en symbolisch voor de Grand Siècle, van doorslaggevend belang. Hij schreef imposante motetten, Motets à deux choeurs pour la chapelle de Roy, ter ere van de glorie van God en de koning voor de grote ceremonies aan het hof. Van de vele koninklijke begrafenissen was die van koningin Marie-Thérèse in 1683 één van de meest grandioze. 

Lully’s Dies iræ en De profundis werden toen gezongen. Maar zijn meest gevierde motet was ongetwijfeld zijn Te Deum, dat in 1677 voor het eerst klonk en de favoriet van de koning werd. In 1687 voerde Lully het opnieuw uit, maar sloeg met de zware stok die hij gebruikte om het tempo aan te geven, op zijn voet. De wond raakte geïnfecteerd en het gangreen verspreidde zich geleidelijk en veroorzaakte zijn dood op 22 maart.

De uitvoerders en vocale solisten zijn Sophie Junker (foto) en Judith van Wanroij (foto)(sopraan), Matthias Vidal en Cyril Auvity (contratenor), Thibaut Lenaerts (tenor), Alain Buet (bas), het Choeur de Chambre de Namur enMillennium Orchestra o.l.v. Leonardo García Alarcón. De cd werd opgenomen in de Chapelle Royale van het kasteel van Versailles.

Als nieuwkomer in de wereld van de muziek gespeeld op oude instrumenten, verenigt het Millenium Orchestra de meest getalenteerde muzikanten met verschillende achtergronden onder dezelfde vlag, om hun passie voor muziek en hun verlangen naar uitmuntendheid te delen. De leden komen uit verschillende generaties specialisten in oude muziek en spelen op originele/historische instrumenten die zijn aangepast aan verschillende barokke, klassieke of zelfs romantische repertoires. Met de aanmoediging van Leonardo García Alarcón streeft het orkest ernaar origineel te zijn in zijn programmakeuzes en in zijn interpretatieve benadering van meesterwerken uit het verleden en niet-gepubliceerde partituren. 

Het Millenium Orchestra, opgericht in 2014, neemt sinds februari 2015 deel aan muzikale evenementen en festivals. In zijn eerste producties richtte het orkest zich op Mozart, met sopraan Jodie Devos. ‘Le concert de Vienne 1783’, de cd-opname werd door de pers geprezen en uitzonderlijk goed ontvangen door het publiek. In 2016 nam het Millenium Orchestra Scarlatti’s Passion volgens Saint-Jean op met het Kamerkoor van Namen en speelde in de indrukwekkende productie van Donizetti’s Requiem op het Festival van Saint-Denis.

Het Kamerkoor van Namen werd opgericht in 1987 op initiatief van het Centre d’art vocal et de musique ancienne (Cav & ma), gevestigd in Namen. Haar domein is oude muziek, met bijzondere aandacht voor het repertoire van componisten die woonden en werkten op het grondgebied van het huidig Waals Gewest (Lassus, Du Mont, Grétry, Gossec, enz.) of uit Brussel (Joseph-Hector Fiocco ). Het Namen Kamerkoor treedt regelmatig op met het instrumentale ensemble Les Agrémens, onder leiding van Guy van Waas, dat in 1995 werd opgericht door het Centre for Vocal and Early Music (Cav & ma) om het koor uit te rusten met een barokorkest op hoog niveau.

Uitgenodigd op de beroemdste festivals in Europa, werkte het Namens Kamerkoor telkens onder leiding van een artistiek directeur, het waren achtereenvolgens Pierre Cao, Denis Menier, Olivier Opdebeeck, Patrick Davin, Jean Tubéry, en sinds 2010, Leonardo García Alarcón. Gastdirigenten zijn Frieder Bernius, Paul Dombrecht, Roy Goodman, Martin Haselböck, Philippe Herreweghe, Florian Heyerick, Sigiswald Kuijken, Wieland Kuijken, Jean-Claude Malgoire, Marc Minkowski, Philippe Phillips, Philippe Pierlot, Christophe Rousset, Jordi Savall en Erik Van Nevel.

Her koor heeft ongeveer dertig opnames op zijn naam staan, met name voor het label Ricercar, zeer gewaardeerd door critici (nominaties op de Victoires de la musique classique, Choc du Monde de la Musique, Diapason d’Or, Joker de Crescendo, 10 de Classica-Repertoire, Cecilia prijs). Het Kamerkoor van Namen ontving in 2003 ook de Grand Prix van de Académie Charles-Cros, de Liliane-Bettencourt-prijs 2006 en ’Octave de la musique, 2007, categorie “klassieke muziek”. In januari 2010 werd de artistieke leiding van het Kamerkoor van Namen toevertrouwd aan de jonge Argentijn, Leonardo García Alarcón (°1976). Niet te missen!

 

LULLY - DIES IRAE, DE PROFUNDIS, TE DEUM
Choeur de Chambre de Namur Leonardo
García Alarcón
Millenium Orchestra

 

Bron: stretto.be

In een nieuwe opname, naar aanleiding van een expo, illustreren Paul Van Nevel en het Huelgas Ensemble het werk van Theodoor van Loon, de “Caravaggio uit de Zuidelijke Nederlanden”, met renaissancemuziek van o.a. Francesco Soriano, Agostino Agazzari, Pedro Rimonte en Peter Philips. Hij koos muziek die reminiscenties oproepen aan het werk van Van Loon.

Op de cd ontdekt u het Agnus Dei uit de “Missa super voces musicales” à 4 & 6 en het  motet à 8, “In illo tempore” van Francesco Soriano (foto) en het motet à 8,”Tibi laus, tibi gloria” van Felice Anerio (foto). Daarnaast ontdekt u “Quando miro il bel volto”, canzonetta a quattro voci con l’intavolatura dal cimbalo van Paolo Quagliati, “O voi che sospirate a miglior’ note”, madrigale à 5 van Luca Marenzio, “Ahi, chi m’aita”, madrigale à 5 en “Chiudesti i lumi Armida” madrigale à 5 con Basso continuo van Domenico Mazzocchi, “Super flumina Babylonis” motet à 8 Agostino Agazzari, “Luna que reluces” villancico à 3 & 6 van Pedro Rimonte, “Le bel ange du ciel” berceuse de Noël à 4 en “Hodie nobis de caelo” à 8 van Peter Philips, “Dies irae dies illa” a cinque voci e tre strumenti con continuo van Giuseppe Zamponi, en werk van de onbekende Nicolaus a Kempis en Géry de Ghersem.

De heel interessante informatie over het opgenomen programma in het bijbehorend boekje, met verwijzingen naar de diverse tracks, heeft u uit eerste bron, nl. van Paul Van Nevel zelf. “De zuiver vocale, polyfone stijl, met zijn traditionele, 16de eeuwse imitatietechnieken en het gebruik van ‘cantus firmus’ in het contrapunt, schrijft hij, “klonk nog dagelijks in de missen en motetten van Palestrina, maar ook in de werken van zijn leerlingen Francesco Soriano (1548-1621) en Felice Anerio (1560-1614) die in Rome even beroemd waren”.

“Soriano was enige arrogantie niet vreemd”, vervolgt van Nevel, “hij waagde het zelfs om de beroemde zes stemmige ‘Missa Papae Marcelli’ van zijn leraar te bewerken voor acht stemmen. Palestrina bleef echter zijn hele leven de hand boven het hoofd van zijn leerling houden en stak zijn waardering niet onder stoelen of banken. Dit album opent dan ook met een prachtig zes- en achtstemmig ‘Agnus Dei’ dat Francesco Soriano componeerde tijdens van Loons verblijf in Rome, dat gedrukt werd in Rome in 1609.
 
De andere leerling van Palestrina, Felice Anerio, schreef een groot aantal werken in dubbelkorige stijl, waarbij de achtstemmigheid werd opgedeeld in twee vierstemmige koren (track 3: Tibi laus, tibi gloria). Ook Soriano schreef werken in deze dubbelkorige stijl, waarbij de twee koren verschillend werden gekleurd. In track 5 is het eerste koor bezet met een sopraan en vier strijkers, het tweede koor is a capella (geschreven in de oude, Italiaanse spelling) bezet”.

“Naast de polyfone sacrale muziek in Rome”, lezen we verder, “kreeg ook een nieuwe trend meer en meer vaste voet aan de grond: meerstemmige muziek in de volkstaal werd zeer populair, met als grote surplus in vergelijking tot de geestelijke muziek, het gebruik van instrumenten. Composities als ‘Chiudesti i fumi Armida’ (op een tekst van Torquato Tasso – track 7) maakten gebruik van rijke harmonische kleuren, basso continuo en een voorliefde voor contrastrijke figuren. Het is geen toeval dat de componist van dit werk, Domenico Mazzocchi (1592-1665) een van de eersten was die in de partituur aanduidingen als crescendo, decrescendo, piano en forte gebruikte. Overigens waren naast deze ‘geleerde’ vormen ook eenvoudige, meerstemmige liederen in een volkse stijl zeer populair. Voorbeeld hiervan is het ‘Quando miro il bel volto’ van Paolo Quagliati (ca. 1553-1628) dat nog in strofische vorm werd geschreven, echter met toevoeging van een instrumentale begeleiding (track 2)”.

“In Brussel”, schrijft Van Nevel, “werd in het begin van de 17de eeuw nog de traditie van de 16de eeuwse vocale polyfone stijl verdergezet onder Géry de Ghersem (ca.1574-1630) die na zijn terugkeer van de Capilla Flamenca in Madrid, kapelmeester van Albrecht en Isabella werd. Zijn zevenstemmig ‘Agnus Dei’ (track 8) is een prachtig dramatisch voorbeeld van de oude Franco-Vlaamse polyfonie (Ghersem werd in Doornik geboren) die zich blijft manifesteren in een stijlvreemde wereld. De multiculturele bezetting van de muziekkapel van Albrecht en Isabella kreeg een speciale toets door de aanwerving van de Spanjaard Pedro Rimonte als kapelmeester. 

In 1614 werd in Antwerpen zelfs zijn bundel Villancico’s gedrukt. ‘Parnaso espariol de madrigales y villancicos’ waaruit het drie- en zesstemmig ‘Luna que reluces’ hier werd opgenomen. (track 9). Ook de Engelsman Peter Philips (ca. 1560-1628) was afwisselend als hoforganist en kapelmeester op verschillende tijdstippen in zijn leven in dienst van de aartshertogen Albrecht en Isabella. Zo vermeldden de rekeningen tussen 1612 en 1618 Peter Philips als organist met een inkomen van 750 gulden per jaar en een dagloon van 9 stuivers, wat hem tot een van de best betaalde musici van het hof maakte. Vele van zijn werken zijn in dubbelkorige stijl geschreven, een trend die uit Italië was overgewaaid.

Helemaal in de baroksfeer is het ‘Dies irae’ (track 13) van Guiseppe Zamponi (1605-1662) die in 1648 benoemd werd tot leider van de ‘musica da camera’ van aartshertog Leopold Wilhelm (foto). Het donker en diep karakter van zijn ‘Dies irae’ roept reminiscenties op aan de Pietà van Theodoor van Loon. Tijdens het bewind van Albrecht en Isabella was Nicolaus a Kempis als organist aan de kathedraal van Brussel, een vertegenwoordiger van de Italiaanse barokstijl.

De uitvoerders zijn naast het Huelgas ensemble, Anneleis Decock en Marrie Mooij (barokviool), Lies Wyers (viola de gamba), Sanne Deprettere (violone), Bart Coen en Silke Jacobsen (blokfluit) en Achim Schulz (virginaal). 

Expo THEODOOR VAN LOON, Een caravaggist tussen Rome en Brussel – BOZAR/Paleis voor Schone Kunsten – Brussel 10.10.2018 – 13.01.2019

the ear of Theodoor van Loon il primo carravggisto fiammingo
huelgas ensemble - paul van nevel
cd CYPRES CYP 1679

 
Bron: Michel Dutrieue, stretto.be

De viola da gamba die haar oorsprong had in de vihuela de arco, kreeg zijn huidige vorm in de 16de eeuw en werd sindsdien overal in Europa bespeeld. Met name in Engeland waren in de 16de– en 17de eeuw, gamba consorts erg populair.

“De 15de eeuw was een eeuw die al snel de prachtige verhalen en odyssees van een pas herontdekte duizendjarige beschaving zou ontrafelen, een tijdperk waarin filosofen wijsheid en menselijkheid onderwezen, toen de muziek van Orpheus zelfs de meest woeste beesten kon temmen”, vertelt Savall. Te midden van zoveel nieuwigheden en wonderen, is het geen wonder dat minstrelen een nieuw, expressiever en rijker geluid zochten, om musica nova te maken, nieuwe muziek op een nieuw instrument, afkomstig van de oude vihuela de arco, de rebab of troubadour rebec, en de zoete geluiden van de Moorse luit. Nieuwe muziek met zijn potentieel aan mooie harmonieën en vreugdevolle ritmes, die plaats maakte voor de vihuela de arco en de vihuela de mano, in het spoor van de opeenvolgende uitwijzingen van de Joden in 1492 en de Moriscos in 1609. 

Historisch gezien ging de vihuela de mano, als voorloper van de luit, terug tot de middeleeuwen. Vermoedelijk werd het door de Spaanse elitebevolking ontwikkeld als tegenhanger van de luit, die sterk leek op de door de Moren tijdens de overheersing meegebrachte oed, een peervormig snaarinstrument zonder fretten dat met een plectrum werd bespeeld. De vihuela werd voornamelijk bespeeld in Spanje, en in mindere mate in Italië en Portugal. De Europese luit, die qua uiterlijk meer op de oed leek dan de vihuela, was populairder in het noorden van het continent, Frankrijk, Duitsland, Engeland en Nederland.

Het was het begin van een nieuw tijdperk van Europese beschaving, klaar om de oude Middeleeuwen achter zich te laten en die, dankzij de herontdekking van de oude Griekse beschaving, een nieuwe wereld begon te vormen vol idealen, hoop, schoonheid en creativiteit, van ontdekkingen en conflicten, zowel wijsheid als fanatisme, maar die de mens in het middelpunt van het leven stelde. Het was in die tijd dat een nieuw strijkinstrument werd geboren: de viola da gamba, viola d’arco of vihuela de arco, die ter ere van het nieuw tijdperk ook de ‘renaissance-altviool’ werd genoemd. Net als de Renaissance-luit had dit nieuw instrument 6 snaren die in kwarten waren gestemd, met een grote terts in het midden, en zeven fretten, die de vijfde in halve tonen verdeelden, waardoor elke toon zijn natuurlijke resonantie kon behouden.

“Zoals Ian Woodfield aantoont in zijn boek “The Early History of the Viol” (Cambridge University Press 1984)”, schrijft Savall, “was het in Valencia dat dit nieuw instrument aan het einde van de 15de eeuw op canvas werd vereeuwigd. De eerste schilderijen van het nieuw instrument, daterend van rond 1480, zijn te vinden in de kerken van Sant Feliu in Xàtiva (Valencia) (foto) en Sant Esteve in Valencia. Andere afbeeldingen uit het begin van de 16de eeuw zijn het anoniem schilderij van de Valenciaanse of Mallorcaanse school met de voorstelling “De kroning van de Maagd”, die hangt in het Museum voor Schone Kunsten in Valencia hangt, en “De Dormitie van de Maagd”, ook behorend tot de Valenciaanse School, die in het Museum voor Schone Kunsten in Barcelona hangt”.

De andere belangrijke nieuwigheid in de creatie van het nieuw instrument was dat het werd gemaakt om de menselijke stem na te bootsen, meer bepaald, de sopraan, alt, tenor en bas. En zo werd het consort geboren, een van de fundamentele instrumentale ensembles van de Renaissance en vroege barokke kamermuziek uit de 17de eeuw. Net als bij de uitvinding van het instrument, kwamen de vroegste muzikale creaties voor dit nieuw ensemble voort uit de muzikale activiteiten rond de monarchen van de Catalaanse-Aragonese Kroon, te beginnen met Alfonso de Grootmoedige, die zijn hof in Napels vestigde, na zijn verovering van de stad in 1442. Daar creëerde hij de eerste Academie voor de Kunsten, die spoedig werd geëmuleerd aan het Valenciaans hof door Germaine van Foix, de zuster van Lodewijk XII en tweede vrouw van de katholieke Monarch Ferdinand II van Aragon (1505-1516). In 1526 trouwde ze met de zoon van koning Frederik II van Napels, Ferdinand van Aragon, hertog van Calabrië. Hij was een belangrijke speler in de mediterrane politiek van de Catalaans-Aragonese kroon aan het begin van de 16de eeuw, en Ferdinand en Germaine werden onderkoningen van Valencia.

Niet minder belangrijk was de bijdrage van de stad Venetië, de “Poort naar het Oosten”, die gedurende meer dan twee eeuwen, één van de meest productieve centra van muziekcompositie en muziekuitgeverij in Europa was.

In het instrumentaal repertoire werd het experiment van het uitvoeren van liederen op de instrumenten, snel gevolgd door de compositie en publicatie van werken die specifiek gecomponeerd waren om te worden gespeeld op orgel, luit, violen en allerlei “andere instrumenten”. Dit is te zien is op tal van partituren, gedrukt in die periode, en staat vermeld in het voorwoord van de Musica Nova verzameling instrumentale stukken, gepubliceerd in 1540 in Venetië, waaruit Hieronimus Parabosco’s Ricercare XIV op de antifoon “Da Pacem”, werd geselecteerd. Het was trouwens deze compositie die het idee en de inhoud van de huidige opname inspireerde. 

De “nieuwe muziek” van de Canzone per sonare, samen met de ontwikkeling van nieuwe harmonische en ritmische parameters in de dansmuziek, en de contrapuntische complexiteit van polyfone werken (Fantasies, In nomines, Tientos, Canzoni, etc.), vonden in het homogeen ensemble van het gamba consort, hét ideaal middel om de beste kamermuziek te produceren, waardoor alle stemmen een harmonieus evenwicht bereikten zonder dat één van hen de andere domineerde.

Particuliere en sociale muziekpraktijken waarbij deze instrumenten werden gebruikt, verspreidden zich snel onder de burgerij en aan de hoven van de meeste Europese landen als Italië, Frankrijk, Vlaanderen, Castilië, Aragon en Catalonië, en in Duitsland en Engeland onder koningin Elizabeth I en koning James I. Engeland was de thuisbasis van de creatiefste componisten voor de gamba, onder wie Christopher Tye, William Byrd, Thomas Tallis, John Dowland, John Jenkins, William Lawes, en Henry Purcell. En tegelijkertijd was het in Engeland dat de viola da gamba en het gamba consort van het midden van de 16de– tot het midden van de 17de eeuw, tot bloei kwamen.

“Als een gast die was uitgenodigd om te lunchen of te dineren in bepaalde aristocratische en burgerlijke kringen in Groot-Brittannië geen gamba speelde”, besluit Savall, “werd dit als een sociale mislukking beschouwd, omdat gasten na de maaltijd, uitgenodigd werden om een van de partijen te spelen in consort songs, dansen, in Nomines of in fantasieën, als afsluiter van het avondamusement”. Deze “gouden eeuw” van het gamba consort, werd aan het einde van de 17de eeuw afgesloten met de Fantasias for the Viols, van de toen 21-jarige Henry Purcell, gecomponeerd in 1680, voor consorts van 4, 5, 6 tot 7 gamba’s.

Het programma werd opgesplitst in negen perioden die de genres en componisten per land voorstellen:

  1. 1500 DANZE VENEZIANE Anonimo Pavana del Re – Galliarda la Traditora – El Todescho – Saltarello
  2. 1540 MUSICA NOVA5 Hieronimus Parabosco Ricercare XIV « Da Pacem »
  3. 1589 RICERCARI & CAPRICCI Giovanni Battista Grillo: Capriccio V, Andrea Gabrieli: Ricercar VII
  4. 1612 ELIZABETHAN & JACOBEAN CONSORT MUSIC John Dowland: Lacrimae Pavan en The King of Denmark Galliard, Orlando Gibbons: In Nomine a 4, William Brade: Ein Schottisch Tanz
  5. 1621 LUDI MUSICI HAMBURG Samuel Scheidt Paduan V – Courant Dolorosa –Allemande XVI – Galliard Battaglia XXI
  6. 1644 CORONA MELODICA Biagio Marini: Passacaglia à 4
  7. 1673 LA CETRA Giovanni Legrenzi: Sonata sesta a 4 Viola da gamba
  8. 1680 LE CONCERT DE VIOLES À LA COUR DE LOUIS XIV Marc-Antoine Charpentier, Concert pour quatre Violes (H.545)
  9. 1680-1700 FOLÍAS & DANZAS IBÉRICAS Pedro de San Lorenzo: Folia, Pedro de Araujo: Consonancias en Joan Cabanilles: Corrente italiana.

De uitvoerders zijn Hespèrion XXI, Philippe Pierlot, Sergi Casademunt, Lorenz Duftschmid op gamba, Xavier Puertas, violone, Xavier Díaz-Latorre, aartsluit, theorbe & gitaar, Enrike Solinis aartsluit, Pedro Estevan percussie en Jordi Savall, gamba en directie. De cd werd opgenomen in de Colegiata de San Vicente de Cardona in Catalonië door Manuel Mohino. Alweer een magistrale uitgave die u voor geen geld ter wereld mag missen. Subliem!

Musica Nova - Harmonies des Nations 1500-1700
HESPÈRION XXI - Jordi Savall
cd ALIA VOX 9859

 
Bron: Michel Dutrieue; Stretto – Magazine voor kunst, geschiedenis en muziek, (stretto.be), 26 april 2018.

Björn Schmelzer nam voor het label glossa met zijn superbe ensemble “graindelavoix”, 17 madrigalen op van Cipriano de Rore, één van de toonaangevendste componisten van de 16de eeuw.

Cipriano de Rore (ca.1515-1565), afkomstig uit Ronse, was een representatieve vertegenwoordiger van de generatie Nederlandse polyfonisten na Josquin, die in Italië werkten en wier muziek bepalend was voor de ontwikkeling van de muziek van de laat Renaissance. De Rore was bv. tussen 1542 en 1546 in Brescia. Cypriano de Rore was één van de meest vooraanstaande componisten van Italiaanse madrigalen, meer nog, hij was eigenlijk het bekendst voor zijn Italiaanse “madrigali di pianto e furore”.

Na een vermoedelijk verblijf in Venetië in de kring van Willaert werd hij kapelmeester aan het hof van Ercole II d’Este, hertog van Ferrara. Tussen 1560 en 1563 was hij in dienst van Margaretha van Parma in Brussel en van haar echtgenoot Ottaviano Farnese in Parma, en zou vervolgens opvolger geweest zijn van Willaert als kapelmeester van de San Marco in Venetië. Hij was opnieuw in dienst van Farnese in Parma tot zijn overlijden in Parma in september 1565. Waarschijnlijk reisde hij onder de bescherming van Margaretha van Parma, in de eerste helft van de zestiende eeuw, naar Ferrara. Zijn madrigaal “Mentre lumi maggior” zou trouwens naar men aanneemt, een lofzang zijn op Margaretha van Parma en haar echtgenoot Ottaviano Farnese.

Het werk van de grootste Vlaamse Renaissance componist Cipriano de Rore genoot aanzienlijk succes, ook na zijn dood. Sommige van zijn madrigalen zijn te vinden in tientallen versies, en dit tot aan het begin van de zeventiende eeuw.  Het madrigaal was in de Renaissance een vier- tot zes stemmige a capella-compositie op een wereldlijke tekst. Na 1550 ontwikkelde het madrigaal zich meer polyfoon en imiterend en was er een toename van chromatiek. Het was de tijd van Willaert, de Rore, Andrea Gabrieli, Orlando di Lasso, de Monte en Palestrina.

Na 1580 vindt men in de muziek van Luca Marenzio, Gesualdo en Monteverdi meer de combinatie van het solo-madrigaal en monodie met basso continuo, en lag het accent op chromatiek (cfr. Caccini en de Wert). Als componist van vier- of vijfstemmige madrigalen, behoorde de Rore tot de tweede generatie madrigalisten. Hij schreef canonische technieken zoals imitatie voor, die sterke invloed hadden op Palestrina, Philippus de Monte en Claudio Monteverdi. De titel van de cd verwijst naar de gravure van Albrecht Dürer “Melencolia I” waarop een magere hond en een vrouw met gespannen blik te zien zijn, een treffende gelijkenis met de melancholische muziek vol spanning, balancerend tussen emotionele uitersten, van de Rore, hier schitterend uitgevoerd door Lluis Coll i Trulls (cornet), Floris De Rycker (chitarrone, luit en gitaar) en Graindelavoix. Magnifiek. Niet te missen!

Cipriano De Rore - Portrait Of The Artist as a starved dog. Madrigals. 
Graindelavoix - Björn Schmelzer
cd Glossa GCD P32114

 

Bron: Michel Dutrieue; Stretto – Magazine voor kunst, geschiedenis en muziek, (stretto.be), Oktober 27, 2017

Statistieken

moment..

Club-Updates

moment..

Welkom bij Clubs!

Kijk gerust verder op deze club en doe mee.

Wat is dit?


Of maak zelf een Clubs account aan: