Oude muziek van Hildegard von Bingen tot Antonio Vivaldi

Logo MA 

- Welkom bij Musiqua Antiqua - 

logoem.giflogoem.gifDeze club gaat over de Oude Muziek of Musica Antiqua; van de Middeleeuwse componiste Hildegard von Bingen (1098-1179) tot de barokcomponist Antonio Vivaldi (1678-1741). 

Hier vind je informatie over de muziekgeschiedenis, nieuwe CD's, componisten, muzikanten - via de tab "Nieuws". Er is een zeer grote verzameling oude muziek videoclips - te vinden via de tab "Videoalbums".

Wat is 'oude muziek'? Oude Muziek of Musiqua Antiqua is de verzamelnaam voor muziek uit de Middeleeuwen, de Renaissance en de Barok. Met deze term maakt men een onderscheid tussen de muziek uit deze "pre-klassieke" periode met de rest van de klassieke muziek. Bij de uitvoering van oude muziek wordt vaak teruggegrepen naar instrumenten uit de tijd waarin de muziek geschreven is. Geprobeerd wordt de muziek uit te voeren zoals de betreffende componist oorspronkelijk bedoeld heeft. Dat geeft een zeer bijzondere sfeer aan de muziek, dat vooral bij een liveoptreden goed tot uiting komt.Van belang is dat deze muziek ook daadwerkelijk 'oud' klinkt en wordt uitgevoerd op authentieke instrumenten. Daarnaast dient de uitvoering te klinken op een wijze die een componist honderden jaren geleden vertrouwd in de oren zou hebben geklonken. Deze club gaat dus over muziek van middeleeuwen tot het einde van de late Barok, juist op het moment dat de klassieke periode zichzelf vestigde als de voornaamste muzikale stijl (in de tweede helft van de 18de eeuw).

logo-black_on.png 55196.png Radio44.jpg

Concertzender biedt een themakanaal Oude Muziek aan

In een nieuwe opname, naar aanleiding van een expo, illustreren Paul Van Nevel en het Huelgas Ensemble het werk van Theodoor van Loon, de “Caravaggio uit de Zuidelijke Nederlanden”, met renaissancemuziek van o.a. Francesco Soriano, Agostino Agazzari, Pedro Rimonte en Peter Philips. Hij koos muziek die reminiscenties oproepen aan het werk van Van Loon.

Op de cd ontdekt u het Agnus Dei uit de “Missa super voces musicales” à 4 & 6 en het  motet à 8, “In illo tempore” van Francesco Soriano (foto) en het motet à 8,”Tibi laus, tibi gloria” van Felice Anerio (foto). Daarnaast ontdekt u “Quando miro il bel volto”, canzonetta a quattro voci con l’intavolatura dal cimbalo van Paolo Quagliati, “O voi che sospirate a miglior’ note”, madrigale à 5 van Luca Marenzio, “Ahi, chi m’aita”, madrigale à 5 en “Chiudesti i lumi Armida” madrigale à 5 con Basso continuo van Domenico Mazzocchi, “Super flumina Babylonis” motet à 8 Agostino Agazzari, “Luna que reluces” villancico à 3 & 6 van Pedro Rimonte, “Le bel ange du ciel” berceuse de Noël à 4 en “Hodie nobis de caelo” à 8 van Peter Philips, “Dies irae dies illa” a cinque voci e tre strumenti con continuo van Giuseppe Zamponi, en werk van de onbekende Nicolaus a Kempis en Géry de Ghersem.

De heel interessante informatie over het opgenomen programma in het bijbehorend boekje, met verwijzingen naar de diverse tracks, heeft u uit eerste bron, nl. van Paul Van Nevel zelf. “De zuiver vocale, polyfone stijl, met zijn traditionele, 16de eeuwse imitatietechnieken en het gebruik van ‘cantus firmus’ in het contrapunt, schrijft hij, “klonk nog dagelijks in de missen en motetten van Palestrina, maar ook in de werken van zijn leerlingen Francesco Soriano (1548-1621) en Felice Anerio (1560-1614) die in Rome even beroemd waren”.

“Soriano was enige arrogantie niet vreemd”, vervolgt van Nevel, “hij waagde het zelfs om de beroemde zes stemmige ‘Missa Papae Marcelli’ van zijn leraar te bewerken voor acht stemmen. Palestrina bleef echter zijn hele leven de hand boven het hoofd van zijn leerling houden en stak zijn waardering niet onder stoelen of banken. Dit album opent dan ook met een prachtig zes- en achtstemmig ‘Agnus Dei’ dat Francesco Soriano componeerde tijdens van Loons verblijf in Rome, dat gedrukt werd in Rome in 1609.
 
De andere leerling van Palestrina, Felice Anerio, schreef een groot aantal werken in dubbelkorige stijl, waarbij de achtstemmigheid werd opgedeeld in twee vierstemmige koren (track 3: Tibi laus, tibi gloria). Ook Soriano schreef werken in deze dubbelkorige stijl, waarbij de twee koren verschillend werden gekleurd. In track 5 is het eerste koor bezet met een sopraan en vier strijkers, het tweede koor is a capella (geschreven in de oude, Italiaanse spelling) bezet”.

“Naast de polyfone sacrale muziek in Rome”, lezen we verder, “kreeg ook een nieuwe trend meer en meer vaste voet aan de grond: meerstemmige muziek in de volkstaal werd zeer populair, met als grote surplus in vergelijking tot de geestelijke muziek, het gebruik van instrumenten. Composities als ‘Chiudesti i fumi Armida’ (op een tekst van Torquato Tasso – track 7) maakten gebruik van rijke harmonische kleuren, basso continuo en een voorliefde voor contrastrijke figuren. Het is geen toeval dat de componist van dit werk, Domenico Mazzocchi (1592-1665) een van de eersten was die in de partituur aanduidingen als crescendo, decrescendo, piano en forte gebruikte. Overigens waren naast deze ‘geleerde’ vormen ook eenvoudige, meerstemmige liederen in een volkse stijl zeer populair. Voorbeeld hiervan is het ‘Quando miro il bel volto’ van Paolo Quagliati (ca. 1553-1628) dat nog in strofische vorm werd geschreven, echter met toevoeging van een instrumentale begeleiding (track 2)”.

“In Brussel”, schrijft Van Nevel, “werd in het begin van de 17de eeuw nog de traditie van de 16de eeuwse vocale polyfone stijl verdergezet onder Géry de Ghersem (ca.1574-1630) die na zijn terugkeer van de Capilla Flamenca in Madrid, kapelmeester van Albrecht en Isabella werd. Zijn zevenstemmig ‘Agnus Dei’ (track 8) is een prachtig dramatisch voorbeeld van de oude Franco-Vlaamse polyfonie (Ghersem werd in Doornik geboren) die zich blijft manifesteren in een stijlvreemde wereld. De multiculturele bezetting van de muziekkapel van Albrecht en Isabella kreeg een speciale toets door de aanwerving van de Spanjaard Pedro Rimonte als kapelmeester. 

In 1614 werd in Antwerpen zelfs zijn bundel Villancico’s gedrukt. ‘Parnaso espariol de madrigales y villancicos’ waaruit het drie- en zesstemmig ‘Luna que reluces’ hier werd opgenomen. (track 9). Ook de Engelsman Peter Philips (ca. 1560-1628) was afwisselend als hoforganist en kapelmeester op verschillende tijdstippen in zijn leven in dienst van de aartshertogen Albrecht en Isabella. Zo vermeldden de rekeningen tussen 1612 en 1618 Peter Philips als organist met een inkomen van 750 gulden per jaar en een dagloon van 9 stuivers, wat hem tot een van de best betaalde musici van het hof maakte. Vele van zijn werken zijn in dubbelkorige stijl geschreven, een trend die uit Italië was overgewaaid.

Helemaal in de baroksfeer is het ‘Dies irae’ (track 13) van Guiseppe Zamponi (1605-1662) die in 1648 benoemd werd tot leider van de ‘musica da camera’ van aartshertog Leopold Wilhelm (foto). Het donker en diep karakter van zijn ‘Dies irae’ roept reminiscenties op aan de Pietà van Theodoor van Loon. Tijdens het bewind van Albrecht en Isabella was Nicolaus a Kempis als organist aan de kathedraal van Brussel, een vertegenwoordiger van de Italiaanse barokstijl.

De uitvoerders zijn naast het Huelgas ensemble, Anneleis Decock en Marrie Mooij (barokviool), Lies Wyers (viola de gamba), Sanne Deprettere (violone), Bart Coen en Silke Jacobsen (blokfluit) en Achim Schulz (virginaal). 

Expo THEODOOR VAN LOON, Een caravaggist tussen Rome en Brussel – BOZAR/Paleis voor Schone Kunsten – Brussel 10.10.2018 – 13.01.2019

the ear of Theodoor van Loon il primo carravggisto fiammingo
huelgas ensemble - paul van nevel
cd CYPRES CYP 1679

 
Bron: Michel Dutrieue, stretto.be

Het schitterend 18de-eeuws manuscript (ca. 1782-1785) werd door Baltasar Jaime Martínez Compañón, de bisschop van Trujillo in Peru, samengesteld als een weergave en een verslag van het leven in zijn bisdom. Het werd geïllustreerd door anonieme kunstenaars en bevat wel 1.411 aquarellen met afbeeldingen van planten en dieren, het Indiase leven, kleding en gebruiken. Daarnaast bevat de codex ook 20 opvallende, gezongen en/of gedanste tonadas, tonadillas en cachua’s.
 
De muziek was bedoeld om tegelijkertijd gezongen en gedanst te worden (‘bailar cantando’). De twintig muziekstukken uit de “Codex Trujillo del Perú” zijn uitzonderlijk in de geschiedenis van de inheemse muziek van de Nieuwe Wereld. Deze verzameling van tonadas, cachuas, tonadillas, bayles, cachuytas en lanchas biedt een glimp van het repertoire, eigen aan de tradities van het land, zoals aangegeven door de tekst van één van de gezongen cachuas “al uso de nuestra tierra” (“volgens de gewoonten van ons land “), en in het bijzonder de liederen en dansen, begunstigd door de populaire klassen die leefden in het onderkoninkrijk van Peru (“Virreinato del Perú”) aan het eind van de 18de eeuw.
 
De overgrote meerderheid van de liederen zijn tonadas of chansons. Hoewel de meeste teksten in het Spaans zijn, met de kenmerkende varianten van het Spaans, zoals het gesproken werd door de inheemse Indianen, bevat de collectie ook teksten in Quechua en Mochica, die net als de muziek zelf, een duidelijke relatie vertonen met de inheemse culturen van Indiase en Afrikaanse origine. Al deze elementen verklaren de zeer verscheidene stijlen van deze ‘inheemse liederen’ die hen duidelijk onderscheidden van de muziek van Spanje en van de Nieuwe Wereld. Ze zijn ons overgeleverd dank zij componisten die actief waren aan het hof en in de grote kerken van het onderkoninkrijk van Peru.
 
Tegen de tijd dat de Spanjaarden met Francisco Pizarro (1532) in Peru aankwamen, was de oorspronkelijke Indiase bevolking al meer dan 2000 jaar getuige van culturen die even rijk waren als die van de Nazca’s, Tiahuanacos, Chimús en Chinchas. Muziekpraktijken in de tweede helft van de 17de eeuw waren daarom het resultaat van een lange dialoog tussen lokale tradities en de waarschijnlijke invloed van en uiteindelijk fusie met, buitenlandse invloeden, of ze nu Iberisch of Afrikaans waren. Hoewel het mogelijk is om bepaalde invloeden op het gebied van harmonie, ritme, melodie en instrumentatie van de Spaanse of Europese muziektradities (vooral die van de muzikanten die de Conquistadores hebben begeleid) te ontdekken, is het repertoire van de “Codex Trujillo”, een perfecte synthese van populaire stijlen, eigen aan de lokale tradities.
 
Dit wordt bevestigd door de unieke originaliteit van de ‘gezongen dansen’ en de weinige overeenkomsten die ze vertoonden met de Iberische en Zuid-Amerikaanse repertoires uit de 17de- en 18de eeuw. Dit is des te duidelijker wanneer we de 1411 aquarellen in de Codex bekijken, en in het bijzonder, de 36 illustraties van muzikanten met hun instrumenten en kostuums, en de choreografieën van elke dans, die de ware geschiedenis van de volksmuziektradities van koloniaal Peru beschrijven en de ontbrekende schakel onthullen tussen de oude muziek van de Nieuwe Wereld en het traditioneel repertoire.
 
Zonder de oorspronkelijke betekenis van het woord “mestizo” te willen beperken, werd de selectie als “Fiesta mestiza en el Perú” ondertiteld om de symbiose tussen de lokale en Latijns-Amerikaanse tradities en de invloed van inheemse Indiase volkeren te beklemtonen. In hun denkbeeldige, symbolische viering met deze prachtige muziek, brengen Savall en zijn uitvoerders,  alle schakeringen samen van de verschillende raciale en sociale groepen die zij aan zij leefden in de verbazingwekkend rijke en gelaagde samenleving van het onderkoninkrijk Peru. Deze omvatten de Spanjaarden en Creolen (voornamelijk blanken maar ook Afrikanen geboren in Amerika) aan de top van de sociale ladder, de verschillende inheemse, Indiase gemeenschappen, de mestiezen van gemengde Indiase en blanke, Europese afkomst, of omgekeerd, en de Afrikaanse zwarten die waren aangekomen als slaven, en de mulatten van gemengde witte en zwarte afkomst.
 
Aanleiding voor de opname was een studie van Adrián Rodríguez van der Spoel. In 2013 ontving Jordi Savall nl. van de musicoloog en musicus van der Spoel, een kopie van zijn onderzoek naar de “Codex Trujillo”. Zijn boek “Bailes, Tonadas & Cachuas La Música del Códice Trujillo del Perú en el Siglo XVIII”, uitgegeven door Deuss muziek in Den Haag in 2013, was nauwgezet en goed gedocumenteerd. Adrián Rodríguez Van der Spoel, geboren in Rosario, Argentinië, kwam daar voor het eerst in contact met traditionele volksmuziek. Later verhuisde hij naar Nederland en studeerde daar aan het Conservatorium van Amsterdam,  compositie en koordirectie bij Daniel Reuss, Daan Manneke, Paul van Nevel en Jos van Veldhoven In 2001 richtte hij “Música Temprana” (foto) op, het schitterend ensemble dat zich toelegt op de interpretatie van de muziek uit de koloniale periode van Latijns-Amerika en Spanje.
 
De muziek van de “Codex Trujillo”, bewaard dankzij bisschop Baltasar Jaime Martínez Compañón, een illustere vertegenwoordiger van het “verlicht despotisme” dat het bewind van koning Karel III van Spanje kenmerkte, vormt een prachtig voorbeeld van de artistieke en menselijke kracht van een volk dat, ondanks meedogenloze koloniale uitbuiting en eeuwen van onnoemelijk lijden, hun waardigheid en hoop probeerde te redden door de vreugde van muziek en dans. De onuitputtelijke energie en exotische charme van de ritmen en eeuwenoude melodieën in ‘Fiesta mestiza en el Perú’ waren het onweerlegbaar bewijs dat de creatieve impuls van gewone mensen om prachtige muziek te produceren, nooit mislukt. Muziek waarvan de schoonheid, emotie en vreugde ons blijven aanspreken met alle vitaliteit en poëzie van het levend en levendig moment, zeker wanneer ze uitgevoerd wordt door Hesperion XXI, La Capella Real de Catalunya en het Tembembe Ensamble e Continuo o.l.v. Jordi Savall. Mag u voor geen geld ter wereld missen! Magistraal!!!

Bailar Cantando - Fiesta Mestiza en el Peru Codex Trujillo ca. 1780
Hesperion XXI - La Capella Real de Catalunya - Tembembe Ensamblee Continuo - Jordi Savall
cd Alia Vox AVSA9927

 
Bron: Michel Dutrieue; Stretto – Magazine voor kunst, geschiedenis en muziek (stretto.be); 4 augustus 2018

 

De Nationale Universiteitsbibliotheek in Turijn herbergt een aantal uiterst belangrijke muziekcollecties, waaronder meer dan 450 manuscripten van Antonio Vivaldi. Met het oog op het verkennen van dit immens muzikaal erfgoed en het tot leven brengen van veel niet-gepubliceerde werken, heeft het Instituto per i Beni Musicali in Piemonte, in overleg met Naïve Classique en de Bibliotheek van Turijn, zich ertoe verbonden om een volledige editie van de Vivaldi-handschriften op cd uit te brengen.

De Vivaldi Edition, een opname-onderneming bedacht door de Italiaanse musicoloog en specialist van Johann Sebastian Bach, Alberto Basso (°1931), en het onafhankelijk label Naïve, is zonder enige twijfel één van de meest ambitieuze en prestigieuze opnameprojecten van de 21ste eeuw. Het hoofddoel is het vastleggen van de immense collectie van Vivaldi-handschriften, ongeveer 450 werken, die bewaard worden in de Biblioteca Nazionale in Turijn. Ongelooflijk maar waar, dit was de privé-bibliotheek die Vivaldi thuis had ten tijde van zijn overlijden in Wenen in 1741. Het omvatte zijn opera’s, honderden concerti, religieuze muziek en cantaten. Veel van deze muziek is sinds de 18de eeuw niet meer gespeeld. Voor de Franse muziekuitgeverij “Opus 111” realiseerde Basso eerst vanaf 1985 de magnifieke reeks “Tesori del Piemonte”. De release van meer dan 100 cd’s van de Vivaldi Edition startte in 2000. Het doel van de Vivaldi-editie is om deze buitengewone rijkdom aan muziek beschikbaar te maken voor het publiek en tegelijkertijd het volledige genie van Vivaldi te onthullen, niet alleen als een componist van instrumentale muziek, waarvoor hij al bekend was, maar ook als de componist van een aanzienlijk deel van de opwindendste, vocale muziek van de 18de  eeuw. De hoes van elke uitgave is daarenboven voorzien van een heel originele, aantrekkelijke en artistieke foto van de Franse portretfotograaf, Denis Rouvre (°1967). Heel, heel bijzonder.

Concerti per archi I

Zonder de uitgave zou er zeker een onvolledig beeld zijn van de ongetwijfeld, belangrijkste Italiaanse componist van zijn tijd. De hoeveelheid instrumentale muziek is enorm, bijna 300 concerti voor één of meerdere instrumenten, strijkers en basso continuo (inclusief 110 concerti voor viool en 39 concerti voor fagot), cantaten, motetten en wel 15 complete opera’s! Op enkele uitzonderingen na is de verzameling van de Turijnse bibliotheek, de enige bron voor Vivaldi’s religieuze muziek en opera’s. En dan te bedenken, dat tot voor kort, de overgrote meerderheid van deze werken totaal onbekend was bij het breed publiek!

Tot op heden bestaat de Vivaldi-editie uit 56 albums, waaronder vijftien opera’s, met wereldwijd meer dan 800.000 verkochte exemplaren. Nu, 18 jaar later, zet het met zijn 56ste albumuitgave, zijn missie voort als een auditieve documentatie van een van de meest opmerkelijke componisten die ooit heeft geleefd. De opera “Dorilla in Tempe” door I Barocchisti o.l.v. Diego Fasolis (vol. 55), werd gevolgd door opnamen door Accademia Bizantina en Ottavio Dantone, Fabio Biondi, Sergio Azzolini, Delphine Galou en Christophe Coin. Het project van Alberto Basso, trok de aandacht van onderzoekers en musici van over de hele wereld. De lijst van betrokken kunstenaars leest ondertussen als een vrij volledige lijst van het toptalent van vandaag in de internationale barokscène, o.a. Giovanni Antonini, Rinaldo Alessandrini, Ottavio Dantone, Diego Fasolis, Jordi Savall, Jean-Christophe Spinosi, Alan Curtis, Federico Maria Sardelli, Sandrine Piau, Philippe Jaroussky, Marie-Nicole Lemieux, Magdalena Kozena, Julia Lezhneva, Sara Mingardo, Ann Hallenberg, Delphine Galou, Paul Agnew, Lorenzo Regazzo, Furio Zanasi, Riccardo Minasi, Christophe Coin, Dmitry Sinkovsky, Sergio Azzolini en Zefiro.

Dit volume 56, met Concerti voor strijkers en voor “viola d’amore” in de reeks uitgaven van het volledig werk van Vivaldi, is deel III. Een eerste deel van de “Concerti per Archi” werd uitgebracht in 2004 en een tweede deel in 2013, beide door Rinaldo Alessandrini met Concerto Italiano. Op deze nieuwe (dubbel) cd worden de concerti weliswaar gespeeld door Alessandro Tampieri en Accademia Bizantina o.l.v. Ottavio Dantone.

Concerti per archi II

Op de dubbel cd staan 13 concerti voor strijkers en 5 voor viola d’amore, een soort altviool met 12 snaren met een zacht geluid, die oriëntaalse effecten oproept, dankzij de resonantiesnaren die meetrillen wanneer men met de boog de zes à zeven melodiesnaren bestrijkt (foto). Het instrument was in de 18de eeuw bijzonder populair omdat men toen vond dat de klank de menselijke stem het dichtst benaderde. Vivaldi componeerde de concerti naar voorbeelden van Ariosti en Biber. En, zoals altijd bij Vivaldi, bevatten die concerti heerlijk opgewekte muziek met een weldadige frisheid, meesterlijk gespeeld door Alessandro Tampieri. Op de cd ontdekt u o.a. het Concerto 117, gerelateerd aan de serenata “La Sena festeggiante”, RV 693.

Op de dubbel cd ontdekt u de Concerti voor strijkers RV 109, 117, 118, 126, 138, 142, 145, 152, 155, 161, 163, 165, 167 en de  Concerti voor viola d’amore, RV 393, 394, 395, 396 en 397.

De begeesterde, Italiaanse dirigent, klavecinist en pianoforte speler, Ottavio Dantone (°1960), studeerde orgel en klavecimbel aan het Conservatorium van Milaan. In 1985 behaalde hij de Derde prijs in de internationale klavecimbel wedstrijd in het kader van het Festival Musica Antiqua in Brugge en in 1986 was hij laureaat basso continuo van het internationaal concours in Parijs. In 1996 werd hij directeur van het Muziekconservatorium in Ravenna, de Academia Bizantina. Hij begon zijn carrière als operadirigent in 1999 met Giuseppe Sarti’s “Giulio Sabino” in het gemeentelijk theater Dante Alighieri in Ravenna, en debuteerde in 2005 in de Scala als dirigent van Händels “Rinaldo”. Een reeks die u geenszins mag missen. Uniek!

Antonio VIVALDI
Concerti per archi III e Concerti per viola d'amore​
Accademia Bizantina, Ottavio Dantone, Alessandro Tampieri
cd Naïve 30570 Edition Vivaldi vol.56

Bron: Michel Dutrieue; Stretto – Magazine voor kunst, geschiedenis en muziek (stretto.be)

 

De viola da gamba die haar oorsprong had in de vihuela de arco, kreeg zijn huidige vorm in de 16de eeuw en werd sindsdien overal in Europa bespeeld. Met name in Engeland waren in de 16de– en 17de eeuw, gamba consorts erg populair.

“De 15de eeuw was een eeuw die al snel de prachtige verhalen en odyssees van een pas herontdekte duizendjarige beschaving zou ontrafelen, een tijdperk waarin filosofen wijsheid en menselijkheid onderwezen, toen de muziek van Orpheus zelfs de meest woeste beesten kon temmen”, vertelt Savall. Te midden van zoveel nieuwigheden en wonderen, is het geen wonder dat minstrelen een nieuw, expressiever en rijker geluid zochten, om musica nova te maken, nieuwe muziek op een nieuw instrument, afkomstig van de oude vihuela de arco, de rebab of troubadour rebec, en de zoete geluiden van de Moorse luit. Nieuwe muziek met zijn potentieel aan mooie harmonieën en vreugdevolle ritmes, die plaats maakte voor de vihuela de arco en de vihuela de mano, in het spoor van de opeenvolgende uitwijzingen van de Joden in 1492 en de Moriscos in 1609. 

Historisch gezien ging de vihuela de mano, als voorloper van de luit, terug tot de middeleeuwen. Vermoedelijk werd het door de Spaanse elitebevolking ontwikkeld als tegenhanger van de luit, die sterk leek op de door de Moren tijdens de overheersing meegebrachte oed, een peervormig snaarinstrument zonder fretten dat met een plectrum werd bespeeld. De vihuela werd voornamelijk bespeeld in Spanje, en in mindere mate in Italië en Portugal. De Europese luit, die qua uiterlijk meer op de oed leek dan de vihuela, was populairder in het noorden van het continent, Frankrijk, Duitsland, Engeland en Nederland.

Het was het begin van een nieuw tijdperk van Europese beschaving, klaar om de oude Middeleeuwen achter zich te laten en die, dankzij de herontdekking van de oude Griekse beschaving, een nieuwe wereld begon te vormen vol idealen, hoop, schoonheid en creativiteit, van ontdekkingen en conflicten, zowel wijsheid als fanatisme, maar die de mens in het middelpunt van het leven stelde. Het was in die tijd dat een nieuw strijkinstrument werd geboren: de viola da gamba, viola d’arco of vihuela de arco, die ter ere van het nieuw tijdperk ook de ‘renaissance-altviool’ werd genoemd. Net als de Renaissance-luit had dit nieuw instrument 6 snaren die in kwarten waren gestemd, met een grote terts in het midden, en zeven fretten, die de vijfde in halve tonen verdeelden, waardoor elke toon zijn natuurlijke resonantie kon behouden.

“Zoals Ian Woodfield aantoont in zijn boek “The Early History of the Viol” (Cambridge University Press 1984)”, schrijft Savall, “was het in Valencia dat dit nieuw instrument aan het einde van de 15de eeuw op canvas werd vereeuwigd. De eerste schilderijen van het nieuw instrument, daterend van rond 1480, zijn te vinden in de kerken van Sant Feliu in Xàtiva (Valencia) (foto) en Sant Esteve in Valencia. Andere afbeeldingen uit het begin van de 16de eeuw zijn het anoniem schilderij van de Valenciaanse of Mallorcaanse school met de voorstelling “De kroning van de Maagd”, die hangt in het Museum voor Schone Kunsten in Valencia hangt, en “De Dormitie van de Maagd”, ook behorend tot de Valenciaanse School, die in het Museum voor Schone Kunsten in Barcelona hangt”.

De andere belangrijke nieuwigheid in de creatie van het nieuw instrument was dat het werd gemaakt om de menselijke stem na te bootsen, meer bepaald, de sopraan, alt, tenor en bas. En zo werd het consort geboren, een van de fundamentele instrumentale ensembles van de Renaissance en vroege barokke kamermuziek uit de 17de eeuw. Net als bij de uitvinding van het instrument, kwamen de vroegste muzikale creaties voor dit nieuw ensemble voort uit de muzikale activiteiten rond de monarchen van de Catalaanse-Aragonese Kroon, te beginnen met Alfonso de Grootmoedige, die zijn hof in Napels vestigde, na zijn verovering van de stad in 1442. Daar creëerde hij de eerste Academie voor de Kunsten, die spoedig werd geëmuleerd aan het Valenciaans hof door Germaine van Foix, de zuster van Lodewijk XII en tweede vrouw van de katholieke Monarch Ferdinand II van Aragon (1505-1516). In 1526 trouwde ze met de zoon van koning Frederik II van Napels, Ferdinand van Aragon, hertog van Calabrië. Hij was een belangrijke speler in de mediterrane politiek van de Catalaans-Aragonese kroon aan het begin van de 16de eeuw, en Ferdinand en Germaine werden onderkoningen van Valencia.

Niet minder belangrijk was de bijdrage van de stad Venetië, de “Poort naar het Oosten”, die gedurende meer dan twee eeuwen, één van de meest productieve centra van muziekcompositie en muziekuitgeverij in Europa was.

In het instrumentaal repertoire werd het experiment van het uitvoeren van liederen op de instrumenten, snel gevolgd door de compositie en publicatie van werken die specifiek gecomponeerd waren om te worden gespeeld op orgel, luit, violen en allerlei “andere instrumenten”. Dit is te zien is op tal van partituren, gedrukt in die periode, en staat vermeld in het voorwoord van de Musica Nova verzameling instrumentale stukken, gepubliceerd in 1540 in Venetië, waaruit Hieronimus Parabosco’s Ricercare XIV op de antifoon “Da Pacem”, werd geselecteerd. Het was trouwens deze compositie die het idee en de inhoud van de huidige opname inspireerde. 

De “nieuwe muziek” van de Canzone per sonare, samen met de ontwikkeling van nieuwe harmonische en ritmische parameters in de dansmuziek, en de contrapuntische complexiteit van polyfone werken (Fantasies, In nomines, Tientos, Canzoni, etc.), vonden in het homogeen ensemble van het gamba consort, hét ideaal middel om de beste kamermuziek te produceren, waardoor alle stemmen een harmonieus evenwicht bereikten zonder dat één van hen de andere domineerde.

Particuliere en sociale muziekpraktijken waarbij deze instrumenten werden gebruikt, verspreidden zich snel onder de burgerij en aan de hoven van de meeste Europese landen als Italië, Frankrijk, Vlaanderen, Castilië, Aragon en Catalonië, en in Duitsland en Engeland onder koningin Elizabeth I en koning James I. Engeland was de thuisbasis van de creatiefste componisten voor de gamba, onder wie Christopher Tye, William Byrd, Thomas Tallis, John Dowland, John Jenkins, William Lawes, en Henry Purcell. En tegelijkertijd was het in Engeland dat de viola da gamba en het gamba consort van het midden van de 16de– tot het midden van de 17de eeuw, tot bloei kwamen.

“Als een gast die was uitgenodigd om te lunchen of te dineren in bepaalde aristocratische en burgerlijke kringen in Groot-Brittannië geen gamba speelde”, besluit Savall, “werd dit als een sociale mislukking beschouwd, omdat gasten na de maaltijd, uitgenodigd werden om een van de partijen te spelen in consort songs, dansen, in Nomines of in fantasieën, als afsluiter van het avondamusement”. Deze “gouden eeuw” van het gamba consort, werd aan het einde van de 17de eeuw afgesloten met de Fantasias for the Viols, van de toen 21-jarige Henry Purcell, gecomponeerd in 1680, voor consorts van 4, 5, 6 tot 7 gamba’s.

Het programma werd opgesplitst in negen perioden die de genres en componisten per land voorstellen:

  1. 1500 DANZE VENEZIANE Anonimo Pavana del Re – Galliarda la Traditora – El Todescho – Saltarello
  2. 1540 MUSICA NOVA5 Hieronimus Parabosco Ricercare XIV « Da Pacem »
  3. 1589 RICERCARI & CAPRICCI Giovanni Battista Grillo: Capriccio V, Andrea Gabrieli: Ricercar VII
  4. 1612 ELIZABETHAN & JACOBEAN CONSORT MUSIC John Dowland: Lacrimae Pavan en The King of Denmark Galliard, Orlando Gibbons: In Nomine a 4, William Brade: Ein Schottisch Tanz
  5. 1621 LUDI MUSICI HAMBURG Samuel Scheidt Paduan V – Courant Dolorosa –Allemande XVI – Galliard Battaglia XXI
  6. 1644 CORONA MELODICA Biagio Marini: Passacaglia à 4
  7. 1673 LA CETRA Giovanni Legrenzi: Sonata sesta a 4 Viola da gamba
  8. 1680 LE CONCERT DE VIOLES À LA COUR DE LOUIS XIV Marc-Antoine Charpentier, Concert pour quatre Violes (H.545)
  9. 1680-1700 FOLÍAS & DANZAS IBÉRICAS Pedro de San Lorenzo: Folia, Pedro de Araujo: Consonancias en Joan Cabanilles: Corrente italiana.

De uitvoerders zijn Hespèrion XXI, Philippe Pierlot, Sergi Casademunt, Lorenz Duftschmid op gamba, Xavier Puertas, violone, Xavier Díaz-Latorre, aartsluit, theorbe & gitaar, Enrike Solinis aartsluit, Pedro Estevan percussie en Jordi Savall, gamba en directie. De cd werd opgenomen in de Colegiata de San Vicente de Cardona in Catalonië door Manuel Mohino. Alweer een magistrale uitgave die u voor geen geld ter wereld mag missen. Subliem!

Musica Nova - Harmonies des Nations 1500-1700
HESPÈRION XXI - Jordi Savall
cd ALIA VOX 9859

 
Bron: Michel Dutrieue; Stretto – Magazine voor kunst, geschiedenis en muziek, (stretto.be), 26 april 2018.

Björn Schmelzer nam voor het label glossa met zijn superbe ensemble “graindelavoix”, 17 madrigalen op van Cipriano de Rore, één van de toonaangevendste componisten van de 16de eeuw.

Cipriano de Rore (ca.1515-1565), afkomstig uit Ronse, was een representatieve vertegenwoordiger van de generatie Nederlandse polyfonisten na Josquin, die in Italië werkten en wier muziek bepalend was voor de ontwikkeling van de muziek van de laat Renaissance. De Rore was bv. tussen 1542 en 1546 in Brescia. Cypriano de Rore was één van de meest vooraanstaande componisten van Italiaanse madrigalen, meer nog, hij was eigenlijk het bekendst voor zijn Italiaanse “madrigali di pianto e furore”.

Na een vermoedelijk verblijf in Venetië in de kring van Willaert werd hij kapelmeester aan het hof van Ercole II d’Este, hertog van Ferrara. Tussen 1560 en 1563 was hij in dienst van Margaretha van Parma in Brussel en van haar echtgenoot Ottaviano Farnese in Parma, en zou vervolgens opvolger geweest zijn van Willaert als kapelmeester van de San Marco in Venetië. Hij was opnieuw in dienst van Farnese in Parma tot zijn overlijden in Parma in september 1565. Waarschijnlijk reisde hij onder de bescherming van Margaretha van Parma, in de eerste helft van de zestiende eeuw, naar Ferrara. Zijn madrigaal “Mentre lumi maggior” zou trouwens naar men aanneemt, een lofzang zijn op Margaretha van Parma en haar echtgenoot Ottaviano Farnese.

Het werk van de grootste Vlaamse Renaissance componist Cipriano de Rore genoot aanzienlijk succes, ook na zijn dood. Sommige van zijn madrigalen zijn te vinden in tientallen versies, en dit tot aan het begin van de zeventiende eeuw.  Het madrigaal was in de Renaissance een vier- tot zes stemmige a capella-compositie op een wereldlijke tekst. Na 1550 ontwikkelde het madrigaal zich meer polyfoon en imiterend en was er een toename van chromatiek. Het was de tijd van Willaert, de Rore, Andrea Gabrieli, Orlando di Lasso, de Monte en Palestrina.

Na 1580 vindt men in de muziek van Luca Marenzio, Gesualdo en Monteverdi meer de combinatie van het solo-madrigaal en monodie met basso continuo, en lag het accent op chromatiek (cfr. Caccini en de Wert). Als componist van vier- of vijfstemmige madrigalen, behoorde de Rore tot de tweede generatie madrigalisten. Hij schreef canonische technieken zoals imitatie voor, die sterke invloed hadden op Palestrina, Philippus de Monte en Claudio Monteverdi. De titel van de cd verwijst naar de gravure van Albrecht Dürer “Melencolia I” waarop een magere hond en een vrouw met gespannen blik te zien zijn, een treffende gelijkenis met de melancholische muziek vol spanning, balancerend tussen emotionele uitersten, van de Rore, hier schitterend uitgevoerd door Lluis Coll i Trulls (cornet), Floris De Rycker (chitarrone, luit en gitaar) en Graindelavoix. Magnifiek. Niet te missen!

Cipriano De Rore - Portrait Of The Artist as a starved dog. Madrigals. 
Graindelavoix - Björn Schmelzer
cd Glossa GCD P32114

 

Bron: Michel Dutrieue; Stretto – Magazine voor kunst, geschiedenis en muziek, (stretto.be), Oktober 27, 2017

Gedurende ongeveer duizend jaar, van 700 tot 1797, speelde de stad Venetië een vooraanstaande rol in de Middellandse Zee en de geschiedenis van de wereld. Gelegen in een lagune gevoed door twee rivieren waar een aantal kleine, precaire nederzettingen langs de kust waren opgericht, werd Venetië gesticht door de Byzantijnen, die er een kruispunt tussen het oosten en het westen van maakten.
 
Deze in wezen aquatische stad, met zijn netwerk van kanalen, trok handelaren van verschillende herkomst aan die een gemeenschappelijk doel nastreefden: een bloeiend centrum van zaken, uitwisseling en interesses creëren. De stad ontwikkelde geleidelijk een handel in goederen uit het oosten (specerijen, zijde, edele metalen, luxeartikelen) naar het westen, die werden ingewisseld voor andere goederen en grondstoffen, bedoeld voor handel met het oosten (hout en zout)
 
Door een “republiek” te stichten, waarin het systeem van de regering door een oligarchie werd geleid en vertegenwoordigd door een voor het leven gekozen doge, werd Venetië geleidelijk aan onafhankelijk van de Byzantijnen en werd ze uiteindelijk meer een handelspartner dan een vazal. Al snel werd deze legendarische stad rijk, onafhankelijk en krachtig, dankzij de ontwikkeling van zijn vloot. Nadat het zich tegen Karel de Grote had verzet, vocht het met succes tegen Rome om zo uit te groeien tot de leidende economische macht in het Middellandse Zeegebied, die de technische, wetenschappelijke en culturele vooruitgang mogelijk maakte die tot uiting kwam in de Venetiaanse architectuur, schilderkunst, literatuur en muziek.
 
Vanaf het begin en vooral tegen het einde van de 15e eeuw profiteerde Venetië van twee grote voordelen. Ten eerste had het de volledige vrijheid om boeken te drukken omdat het niet onderworpen was aan de dictaten van het Vaticaan en de Inquisitie. Ten tweede was het de poort naar het oosten en een thuis voor mensen van over de hele wereld – Byzantijnen, Italianen, Arabieren, Joden, Slaven, Armeniërs en Turken. Dit alles verklaart de buitengewone ontwikkeling van de uitgeverswereld. In een tijdperk dat gekenmerkt werd door zoveel religieuze conflicten, is het opmerkelijk dat Venetië de eerste gedrukte edities van de Koran en de Talmoed produceerde, en de eerste Bijbel in het Italiaans, evenals de eerste boeken uit de Duitse Hervorming. Het feit dat het een immigratiestad was, verklaart ook het feit dat er boeken in alle talen werden gepubliceerd. Zo zag men er de eerste gedrukte boeken in het Grieks, Armeens en in het Cyrillisch. Meer dan de helft van alle Europese boeken werd gedrukt in Venetië. Het was bovendien de stad die de bestseller en de paperback uitvond, evenals de vroegste edities van erotische boeken, kookboeken en medische teksten. Venetië bedacht ook de eerste rudimentaire systemen van het auteursrecht en van wat we nu marketing- en bedrijfstechnieken noemen.
 
Het was ook in deze multiculturele stad dat aan het eind van de 15de eeuw, het drukken van muziek begon, hoewel we nu symbolisch de geboorte van het drukken van muziek rond 1501 dateren, met de publicatie van Harmonice musices Odhecaton van Ottaviano Petrucci (honderd nummers van harmonische muziek). Ottaviano Scotto (c.1440-1498) uit Monza in Lombardije, drukte onder andere enkele prachtige missalen in rode en zwarte letters. Hij was de oprichter van een dynastie van typografen die in de 16e eeuw het drukken van muziek in Venetië domineerde. Hoewel het in 1501 gepubliceerd muziekboek van Petrucci niet het eerste was dat met een verplaatsbaar lettertype werd gedrukt, was het het eerste werk dat volledig aan muziek was gewijd, in de plaats dat het slechts korte fragmenten bevatte die in een liturgische of poëtische tekst waren ingevoegd. Meer dan drie eeuwen lang speelde de Venetiaanse grafische industrie een sleutelrol in de steeds invloedrijkere rol van zowel muziek, als van Italiaanse en Europese muziektheorie, een invloed die zich over de grenzen en door de eeuwen heen zou blijven verspreiden.
 
Ten slotte was het ook dankzij de handel en zijn contacten overal in de Middellandse Zee als gevolg van het opzetten van handelsposten op de eilanden en langs de kust om goederen uit te wisselen, dat Venetië de verschillende invloeden onderging van de oosterse christelijke, Latijnse en orthodoxe werelden, evenals die uit de Ottomaanse, Joodse, Armeense en Moslimculturen.
 
In 1797 bezetten de Franse troepen van Napoleon Bonaparte de Terra Firma en versnelden daarmee de val van de Republiek Venetië. Om het einde van deze duizend jaar geschiedenis op te roepen, die werd versneld door de invloed van de Franse Revolutie en de keizerlijke ambities van Napoleon, werd een ongebruikelijk en aangrijpend stuk gekozen dat enkele jaren later werd gecomponeerd, de revolutionaire hymne “La Sainte Ligue, La nuit est sombre” van Luigi Bordèse (1815-1886), gezongen op een tekst van Adolphe Joly aangepast voor vierstemmig mannenkoor met orgel (of piano), op muziek van Beethovens Allegretto uit zijn zevende symfonie.
 
Na de annexatie door Oostenrijk door het Verdrag van Campo Formio van 1797, die een einde maakte aan de oorlog tussen Frankrijk en Oostenrijk, werd Venetië uiteindelijk in 1866 een deel van het koninkrijk Italië. Samen met Rome werd het een van de “eeuwige” steden onder de Italiaanse steden, en bleef het tot op de dag van vandaag een van de mooiste juwelen in de kroon van de natie.
 
Deze uitgave volgt de belangrijkste gebeurtenissen over meer dan duizend jaar van de verbazingwekkende geschiedenis van die stad en laat de vele invloeden horen op de variërende geluidslandschappen van de Adriatische en de Middellandse Zee, afhankelijk van de stad, de regio en de buurlanden. Met de schitterende zangers van het orthodox/ byzantijns ensemble onder leiding van de uitstekende orthodoxe zanger Panagiotis Neochoritis, Savalls gastmuzikanten uit Griekenland, Turkije, Marokko, Armenië, en met de solisten van La Capella Reial de Catalunya, Hespèrion XXI en Le Concert des Nations, presenteren ze een selectie van religieuze en wereldlijke muziek uit de oude orthodoxe tradities van Byzantium, liederen van de Kruisvaarders, muziek uit Istanbul en het Ottomaanse rijk, Griekenland, Turkije en Italië. Al deze culturen verrijkten de reeds prachtige muziek die Byzantium en Venetië hadden nagelaten. Componisten zoals Guillaume Dufay, Clément Janequin, Adrian Willaert, Joan Brudieu, Claude Goudimel, Ambrosius Lobwasser, Giovanni Gabrieli, Claudio Monteverdi, Antonio Vivaldi, Johann Adolph Hasse en vele anderen, onder wie zelfs Mozart en Beethoven, bezongen en verklankten de grootsheid van de uitzonderlijke stad.
 
De eerste cd is gewijd aan de periode 770 – 1571. U ontdekt:

  • trad.: Fanfare (Instrumental d’après une mélodie du siècle VIII)
  • Ioannis Damaskinos: Alléluia (Choral byzantin)
  • anon.: Halatzoglou kratema (Instrumental byzantin)
  • trad.: Chanson de Croisade: Pax in nomine Domini – Marcabru (1100-1150)
  • anon.: Danse de l’âme (Afrique du Nord) [Instrumental] [Tradition Berbère]
  • trad.: Hymne pour les services des Matins
  • trad.: Chanson & Danse arménienne (XIIIe siècle)
  • trad.: Conductus: O totus Asie Gloria, Regis Alexandria Filia (XIIIe siècle)
  • anon.: Istampitta: Saltarello (mss. XIVe siècle)
  • Ioannis Damaskinos: Pásan tin elpida mu
  • anon.: Chiave, chiave (Instrumental) [Début du XVe siècle]
  • anon.: Adoramus te (Chansonnier du XVe siècle)
  • anon.: Hirmos Calophonique: Tin Déisin mu (XVe siècle)
  • trad.: Marche Ottomane Nikriz peÅŸrev – Ali Ufki Bey
  • Dufay: Lamentio Sanctae Matris Ecclesiae Constantinopolitanae
  • Janequin: La Guerre: La Bataille de Marignan
  • trad.: Cantique des Cantiques (3,1-4): Qamti be-Ishon Layla
  • Willaert: Villanesca alla napolitana: Vecchie letrose
  • Dimitrie Cantemir: Der makām-ı Uzzäl Sakîl (Instrumental ottoman)
  • Brudieu: Madrigal: Oíd, oíd… […las buenas nuevas de Lepanto]

De tweede cd is gewijd aan de periode 1571-1797. Op deze cd ontdekt u :

  • Goudimel: Psaumes de David. Ficht wider meine Anfechter (Psaume 35)
  • Ioannis Kladas: Géfsasthe ke idete
  • trad.: Sousta (Instrumental) [Danse de Chypre]
  • Gabrieli, A: Ricercar VII
  • Michael Chatziathanasiou: Hymne de la Sainte Eucharistie (En slave)
  • anon.: Laïla Djân (Instrumental) [Danse Perse]
  • Rossi, S: Psaume 137, (1-6): ’Al nàhärót bavél
  • Monteverdi: Il combattimento di Tancredi e Clorinda, SV 153
  • Rosenmüller: Sinfonia Seconda
  • Tanburi Angeli: Der Makām-i-Rehavi Çember-i-Koca (Marche ottomane)
  • Vivaldi: La Senna festeggiante, RV 693: Di queste selve venite, o Numi
  • J: Alla turca (Allegretto) [D’après la Sonate No. 11 en La Majeur, K. 331 de Mozart]
  • anon.: Deo gratias (Hymne Orthodoxe Russe du XVIè siècle)
  • trad.: Chanson Constitutionnelle Nous sommes tous égaux
  • Hasse, J A: Canzonette veneziane da battello. Raccolta di gondoliere
  • Per quel bel viso Mia cara Anzoletta
  • Luigi Bordèse: La Sainte Ligue (La nuit est sombre) [D’après les Symphonies No. 5 et No. 7 de Beethoven]

Historisch concept, muzikaal concept van het project en algemene leiding: Jordi Savall. Keuze van de  Orthodoxe muziek : Panagiotis Neochoritis.

De teksten in het bijbehorend boek in zowel het Engels, Frans, Duits, Italiaans, Castiliaans als het Catalaans, tellen vier hoofdstukken. Na de historische schets van Venetië door John Julius Norwich, een tekst over Byzantium en Venetië van Judith Herrin en een hoofdstuk over Venetië en het Oosten van Lucette Valensi, wijdt Sylvie Mamy het vierde hoofdstuk uitgebreid aan Muziek in Venetië en het “Theater van de oorlog”, Venetië breidt zijn rijk uit op zee en op het land, De apotheose van kunst en knowhow, Venetië, toevlucht van de christenen van de Oriënt, De gouden eeuw van operazalen, Venetië ontvangt Europa aan zijn tafel, De repercussies van de Franse Revolutie en De val van de Serenissima Republiek. Een meer dan magistrale uitgave !

 

VENEZIA MILLENARIA - JORDI SAVALL
HESPERION XXI, LE CONCERT DES NATIONS, PANAGIOTIS NEOHORITIS
boek + 2 cd Aliavox AVSA9925

 

Bron: Michel Dutrieue; Stretto – Magazine voor kunst, geschiedenis en muziek (stretto.be)

Hildegard von Bingen (1098-1179) spreekt misschien minder tot de verbeelding als moeder-overste, maar mogelijk wel als een van de meest invloedrijke vrouwen in het Heilige Roomse Rijk, zij het dat in het Latijn - en afgeleid daarvan in het Italiaans - dat begrip een andere lading krijgt: Sacrum Romanum Imperium, ofwel het Heilige Romeinse Rijk. In ieder geval wordt er hetzelfde mee bedoeld: geen staat in de echte zin van het woord maar een politiek conglomeraat van seculiere en kerkelijke territoria die indirect onderworpen waren aan het gezag van de keizer of rex romanorum (onze oosterburen spraken van 'Römischer König' of 'König der Römer', wat dezelfde betekenis had). Dat keizerrijk hing in etnisch opzicht als los zand aan elkaar en was ook in politiek opzicht geen hecht gesmede entiteit, terwijl de aan de keizer toekomende macht voortdurend onderwerp van hevige discussie was tussen de adel, de clerus en zelfs de paus in Rome. Het was uiteindelijk Napoleon die er aan het begin van de negentiende eeuw met zijn harde soldatenhand het mes inzette en het als een 'historische vergissing' eenvoudigweg terzijde schoof.

Niet zweverig 
Hildegard von Bingen had werkelijk macht, als abdis, theologe, mystica, dichteres, componiste, arts, natuurkundige, hervormster, politica en raadsvrouwe van leidende politieke en kerkelijke figuren. Haar talloze geschriften tonen haar veelzijdigheid, terwijl wat zij schreef van grote invloed was. Zij was tevens de bedenkster van het eerste mysteriespel ‘Orde Virtutum' ofwel ‘Orde der Deugden', waarin de strijd tussen de ziel, de zestien deugden en de duivel realistisch wordt uitgebeeld. Het ligt misschien voor de hand om mystiek met het zweverige te verbinden, maar dat was Hildegard allesbehalve. Als kind zou ze weliswaar visioenen hebben gehad, maar in het dagelijks volwassen leven dacht, schreef en handelde ze op grond van concrete uitgangspunten. Dat wordt in haar gehele oeuvre weerspiegeld. Ze mag zich soms hebben verkeken op de menselijke stemomvang, maar ze streefde wel naar een zo hoog mogelijke concentratie en spanning in haar muziek.

Manuscript
Deze ‘Sybille van de Rijn' heeft door de eeuwen heen de belangstelling gewekt van theologen, filosofen, medici, historici, musicologen en literatoren. Ook vandaag is men (nog) niet over haar uitgepraat, uitgezongen of uitgestudeerd. 
De verzamelde composities van Hildegard zijn overgeleverd in twee handschriften. Het oudste manuscript is afkomstig uit haar eigen klooster in Rupertsberg en wordt nu in een Belgisch archief bewaard. Interessant in het goed gedocumenteerde cd-boekje is de geschetste weg die het manuscript heeft afgelegd. Hildegard had het zelf naar de cisterciënzers van Villers in Brabant gestuurd, waarna het zijn weg vervolgde naar de benedictijnen van Gembloers en Affligem om in de negentiende eeuw te eindigen in de Sint-Pieters- en Paulusabdij van Dendermonde. Vandaar dat wordt gesproken van de ‘Dendermonde Codex'. 
De kalfslederen band omsluit 183 perkamenten folio's met zowel teksten als composities van Hildegard, tezamen ongeveer tweederde van haar overgeleverde muziekwerken. Zij gaf de verzameling zelf de naam ‘Symphoniae harmoniae caelestium revelationum' (‘Symfonieën van de harmonie van de hemelse openbaring'). Vanaf dit jaar is het beroemde manuscript online te raadplegen in de ‘Integrated Database for Early Music' (IDEM). U vindt er tevens afbeeldingen van bijzonder goede kwaliteit.

Hildegard van Bingen, noteert haar visioen op een wastablet;
met haar secretaris Volmar en haar secretaresse Richardis

Bijzondere benadering
Het was de ontsluiting van de manuscriptfoto's in hoge resolutie die het Belgische ensemble Psallentes aanleiding gaf van de ‘Dendermonde Codex' een nieuwe opname te maken. Er bestaan al vergevorderde plannen om deze als aanvulling te gebruiken op de desbetreffende afbeeldingen in de reeds genoemde database. 
In het cd-boekje wordt dieper ingegaan op de bijzondere benadering van Psallentes, dat vrijwel iedere van de 57 composities uit de ‘Symphoniae' in een eigen bedding heeft geplaatst. Elke compositie wordt (relatief) onafhankelijk van de vorige of de volgende behandeld, daarbij steeds vergezeld gaande van toepasselijke lezingen, psalmen of cantica. Aldus plaatst het ensemble Hildegards muziekwerken in een twaalfde-eeuwse context van ‘collationes', de avondlijke bijeenkomsten van een monastieke gemeenschap, waarin op trage en nadenkende wijze uit de Schrift werd gelezen (de ‘lectio divinia'), in de zin van meditatieve reflectie. Psallentes stelt zich daarbij voor dat Hildegard regelmatig binnen haar (geloofs)gemeenschappen dergelijke avonden organiseerde, waarbij zij niet alleen zelf uit geschriften als de ‘Scivias' (verzamling visioenen) voorlas, maar ook zong, mogelijk improviseerde, en haar beste zangeressen belastte met gezangen en bijpassende recitaties. Binnen dit concept komt elke compositie traag en breed aan bod, waardoor in dit ‘eerste uur' niet meer dan de eerste vier stukken uit de ‘Dendermonde Codex' tot klinken komen.

Uitwerking
Op deze nieuwe cd horen we dus als het ware een wisselwerking, tussen ten eerste Hildegard als soliste die leest uit eigen werk, die zelf zingt en op geëigende momenten haar eigen composities improvisatorisch benadert (goed waarneembaar in de hernemingen van de antifonen, tracks 1 en 2); ten tweede een duo zangeressen dat zich op het reciteren van psalmen en cantica (tracks 1 en 2) en zich op de verzen van de responsoriën, de beurtzang (tracks 3 en 4) toelegt, met dan ten slotte een kleine groep zangeressen die de tutti-passages getrouw volgens de notatie van de ‘Dendermonde Codex' uitvoert. De psalmen en cantica zijn vocaal uitgewerkt vanuit de in het manuscript gesuggereerde psalmtonen (‘evovae'), maar dan wel met variaties en voorzichtige improvisatie – passend bij Psallentes' (uiteraard hypothetisch) uitgangspunt dat deze gezangen (ook) weerklonken op avondlijke, paraliturgische samenkomsten.

St Albans 
Om de link met de twaalfde-eeuwse monastieke wereld nog sterker te maken, koos Psallentes voor aansluitende teksten zoals die voorkomen in toenmalige bronnen. Voor de psalmen en cantica werd gebruik gemaakt van een psalter vervaardigd in de benedictijner abdij van St Albans in het Engelse graafschap Hertfordshire. De identiteit van de eerste eigenaar is onzeker, maar er zijn wel aanwijzingen dat het fraai verluchte handschrift bestemd was voor Christina (ca. 1097-ca. 1154), priorin van het nabijgelegen klooster van Markyate, en collega-mystica van Hildergard. De ‘Scivias' van Hildegard is terug te vinden in een manuscript dat afkomstig is uit de abdij van Park (Heverlee, bij Leuven). Abt Philip, die deze premonstratenzer gemeenschap tussen 1142 en 1165 leidde, was een van Hildegards correspondenten en zocht haar zelfs op in Rupertsberg.

Hemelse schoonheid
Psallentes excelleert in deze trage, brede en meditatieve lezing van Hildegards oeuvre, met als belangrijkste doelstelling om een geheel eigen en enigszins eigenzinnige lezing toe te voegen, daarmee eer en recht doende aan Hildegards genie, maar ook aan de geest en de details van de ‘Dendermonde Codex'. Zo klinkt het ook, de pure en devote vrouwenstemmen gehuld in een vlekkeloze, bijna hemelse schoonheid in een fraai ruimtelijke opname die hij diep religieuze karakter van de muziek nog eens extra onderstreept. In het boekje zijn zowel een zeer lezenswaardige toelichting als de gezongen en gesproken Latijnse teksten in Nederlandse vertaling opgenomen. Ik zie al uit naar het vervolg!

 

Psallentes - Hours of Hildegard

The Dendermonde Codex - First Hour

Psallentes o.l.v. Hendrik Vanden Abeele: Michaela Riener (solo), Sarah Abrams en Sarah Van Mol (duo en tutti), Lieselot De Wilde, Lisa De Rijcke en Kerlijne Van Nevel (tutti)

Le Bricoleur 680111 • 60' •

Opname: herfst 2016, Beaufays (B)

Bron: Aart van der Wal, opusklassiek.nl, april 2017.

Statistieken

moment..

Club-Updates

moment..

Welkom bij Clubs!

Kijk gerust verder op deze club en doe mee.

Wat is dit?


Of maak zelf een Clubs account aan: