Oude muziek van Hildegard von Bingen tot Antonio Vivaldi

Logo MA 

- Welkom bij Musiqua Antiqua - 

logoem.giflogoem.gifDeze club gaat over de Oude Muziek of Musica Antiqua; van de Middeleeuwse componiste Hildegard von Bingen (1098-1179) tot de barokcomponist Antonio Vivaldi (1678-1741). 

Hier vind je informatie over de muziekgeschiedenis, nieuwe CD's, componisten, muzikanten - via de tab "Nieuws". Er is een zeer grote verzameling oude muziek videoclips - te vinden via de tab "Videoalbums".

Wat is 'oude muziek'? Oude Muziek of Musiqua Antiqua is de verzamelnaam voor muziek uit de Middeleeuwen, de Renaissance en de Barok. Met deze term maakt men een onderscheid tussen de muziek uit deze "pre-klassieke" periode met de rest van de klassieke muziek. Bij de uitvoering van oude muziek wordt vaak teruggegrepen naar instrumenten uit de tijd waarin de muziek geschreven is. Geprobeerd wordt de muziek uit te voeren zoals de betreffende componist oorspronkelijk bedoeld heeft. Dat geeft een zeer bijzondere sfeer aan de muziek, dat vooral bij een liveoptreden goed tot uiting komt.Van belang is dat deze muziek ook daadwerkelijk 'oud' klinkt en wordt uitgevoerd op authentieke instrumenten. Daarnaast dient de uitvoering te klinken op een wijze die een componist honderden jaren geleden vertrouwd in de oren zou hebben geklonken. Deze club gaat dus over muziek van middeleeuwen tot het einde van de late Barok, juist op het moment dat de klassieke periode zichzelf vestigde als de voornaamste muzikale stijl (in de tweede helft van de 18de eeuw).

logo-black_on.png 55196.png Radio44.jpg

Concertzender biedt een themakanaal Oude Muziek aan

Op rondreis in Italië beluisterde de Nederlandse homo universalis Constantijn Huygens in een kerk in Venetië ‘de meest volmaakte muziek die ik ooit van mijn leven te horen denk te krijgen’. De kapelmeester was de beroemde componist Claudio Monteverdi. Het Britse koor I Fagiolini reconstrueerde deze mis, zoals Huygens die toen bezocht.
 
Het was eind juni 1620, het feest van de Heilige Johannes de Doper, herinnerde Constantijn Huygens zich in zijn geschriften. ‘Men bracht mij naar de vespers in de kerk San Giovanni e Luzia, waar ik de meest volmaakte muziek hoorde die ik ooit van mijn leven te horen denk te krijgen. De beroemde Claudio Monteverdi, kapelmeester van San Marco, die de muziek had gecomponeerd, dirigeerde deze keer ook, met vier theorbes, twee cornetten, twee fagotten, twee violen, een basviool van monsterachtige grootte, de orgels en andere instrumenten, die alle even goed werden bespeeld, en tien of twaalf stemmen, die me van verrukking buiten mezelf brachten.’
 
Vermoedelijk vergiste Huygens zich in de naam van de kerk en bedoelde hij de Santi Geremia e Luzia. Met zijn getuigenis is hij de enige tijdgenoot die ons een summier beeld voorspiegelt van een ‘concert’, geleid door Monteverdi. Robert Hollingworth, oprichter van het Engelse I Fagiolini, zocht voor zijn koor muziek bij elkaar die de kern van de liturgie zou kunnen hebben gevormd voor die door Huygens beschreven mis. En wat die speurtocht opleverde, is te beluisteren op het nieuwe album The Other Vespers, waarop I Fagiolini zich niet – zoals vaak gebeurt – richt op de beroemde Mariavespers (1610) van Monteverdi, maar op de werken die verschenen in zijn latere bundel Selva morale e spirituale (1641). Hollingworth combineert Monteverdi’s gezangen met die van onbekendere tijdgenoten.
 
Op 15 mei 2017 was Monteverdi’s geboorte precies 450 jaar geleden. Hij kwam ter wereld op 15 mei 1567 in het Italiaanse Cremona, de stad van fameuze vioolbouwers zoals Amati, Stradivari en Guarneri. Zijn muzikale scholing kreeg de apothekerszoon van kapelmeester Ingegneri van de plaatselijke kathedraal. Als violist – of vedelaar, zoals dat indertijd heette – kreeg hij een baan aan het hof van de vorst Vincenzo Gonzaga in Mantua, ‘een man even bekend om zijn kunstzin als om zijn nietsontziende zinnelijke driften’, schrijft componist Anton Averkamp in zijn boek Grootmeesters der Toonkunst. Daar toonde de jonge componist zijn gezicht als vernieuwer, onder meer in L’Orfeo, weliswaar niet de eerste opera uit de historie, maar wel het meesterwerk dat het symbool werd van de lka orfeo monteverdigeboorte van een nieuw genre.
  
Monteverdi ontworstelde zich aan de beperkingen van de stile antico, de oude stijl, en hij bedacht de term seconda practica, een eigentijdse praktijk waarin de componist zich meer vrijheden kon veroorloven. Nadat hij benoemd werd tot kapelmeester van de San Marco in Venetië introduceerde hij ook muziekinstrumenten in kerkdiensten, waar tot voorheen alleen de versmelting van menselijke stemmen en het orgel te horen waren. Op die manier kon hij meer nadruk leggen op de melodie. Uitgangspunt voor Monteverdi was dat muziek dienaar bleef van het woord. Hij was met veel vernieuwingen niet de eerste, maar vervolmaakte ze. Uit zijn muziek blijkt, om Averkamp te citeren, ‘hoe groot Monteverdi’s talent was voor dramatische uitdrukking en hoezeer hij het verstond de betekenis van de woorden muzikaal weer te geven’.Monteverdi bedacht – vanuit zijn ervaring als violist – enkele instrumentale vernieuwingen, zoals het tremolo, waarbij de strijkers met hun stok niet een lange beweging op de snaar maken, maar hele korte en snelle. Het roept een enorme spanning in de noten op. Ook het pizzicato, het plukken aan de snaren, is een uitvinding van de Italiaan. Monteverdi hechtte veel waarde aan de kleur van het orkest, en bij hem verschilt het ensemble van dat van zijn tijdgenoten. Niet voor niets benoemt Huygens de nodige instrumenten uit het gezelschap dat hij Monteverdi in 1620 ziet dirigeren. Dat kan alleen als reden hebben dat de samenstelling ongewoon is.
 
De werken die I Fagiolini heeft gekozen komen uit Monteverdi’s Venetiaanse periode. Dertig jaar lang – van 1613 tot zijn dood in 1643 – werkte hij daar als kapelmeester van de San Marco. Hij maakte er zelf een bloemlezing van in Selva morale e spirituale, wat zoveel betekent als ‘het morele en spirituele woud’. Hollingworth wil in het Monteverdi-jaar graag wat meer aandacht vestigen op deze mooie, maar veronachtzaamde bundel die de afgelopen jaren steeds genoegen moest nemen met een plek in de schaduw van de Mariavespers, die muzikaal niet zozeer beter zijn, maar één geheel zijn. Bovendien is moeder Maria nu eenmaal de meest geliefde heilige.
Met de blazers van het English Cornett & Sackbut Ensemble scheppen de zangers van I Fagiolini de stemmige sfeer van een kerkdienst in de Saint George’s Church in Cambridge.
De antifonalen, de Gregoriaanse vorm, die voorafgaat aan de gezangen van Monteverdi en zijn tijdgenoten geven helder het verschil tussen de oude en nieuwe stijl weer. Vooral in het spel tussen melodie en onderliggende baslijn tonen Monteverdi, en de uitvoerenden, zich meesters.
 
MONTEVERDI - The Other Vespers
I Fagiolini

Bron: www.classicstogo.nl

De Belgische antropoloog en dirigent Björn Schmelzer benadert de muziek uit de 15de eeuw heel anders dan anderen. In zijn vocaal ensemble mag elke zanger ook de ruwe kant van zijn stem laten horen. Vandaar: grain de la voix. De 'ruwheid' van de diverse stemmen wordt niet weggepolijst, maar werkt eerder versterkend. 

En nooit leek zijn missie zo actueel: “Het verleden is niet een gestolde realiteit waarvan we gescheiden zijn, maar een geheel van constant op en neer golvende onderlagen en tegenstromen die in onze lichamen voortleven. Op telkens wisselende tijden en geografische plekken doen er zich nieuwe erupties en botsingen van tijdslagen voor. Deze symptomen vormen de basis voor de performers van graindelavoix om telkens opnieuw te onderzoeken hoe het publiek zijn eigen geheugen van betekenissen construeert." 

Dit seizoen komt Graindelavoix uit met een nieuwe CD met een nieuwe wereld: een polyfoon programma vol ontdekkingen. Björn Schmelzer ging graven in de rijke Antwerpse drukkersarchieven van Plantin en Phalesius rond 1600 en ontdekte nooit eerder uitgevoerd of opgenomen materiaal. 

De oogst is niet alleen indrukwekkend, maar ook internationaal. Het meeslepende achtstemmige Requiem van Orazio Vecchi werd in 1612 in Antwerpen uitgegeven. Het wordt aangevuld met onbekende topwerken van o.a. George de la Hèle, Duarte Lobo en Pedro Ruimonte. Deze late polyfonie wordt door Björn Schmelzer 'barok in disguise' genoemd.

 

Björn Schmelzer

Björn Schmelzer schrijft het volgende over deze CD:

“De rituelen tijdens de begrafenis van Rubens appelleren aan een ander soort barok, een soort gesluierde, vermomde barok, en raar genoeg in die zin, barok par excellence.”

Antwerpen, 2 juni 1640: laat in de ochtend zet zich een imposante, stille begrafenisstoet in gang van de Wapper richting Sint Jacobskerk. De kist wordt vooraf gegaan door zestig wezen met toorts in de hand en de vertegenwoordigers van de belangrijkste monastieke ordes van de stad, samen met leden van het kapittel van de kathedraal en de stadsmagistratuur. De kerk is, net als de katafalk, bekleed met zwart fluweel en rood satijn. De dode in de kist is niemand minder dan de beroemdste schilder van zijn tijd, Pieter Paul Rubens. Het requiem dat gezongen wordt tijdens de begrafenis is zonder veel twijfel het requiem gecomponeerd door Orazio Vecchi op het einde van zijn leven rond 1605 en gedrukt in Antwerpen in 1612.
Het requiem beantwoordt aan de getuigenis van het begrafenisritueel: de uitvoering van een achtstemmig requiem met een polyfoon Dies Irae. Stefanie Beghein heeft in haar doctoraat duidelijk aangegeven hoe de funeraire conventies er in parochiekerk van Sint Jacob in 1640 uitzagen: het lichaam van een belangrijk persoon zoals Rubens werd begraven in de buurt van het koor (een zogenaamd 'koorlijk'), dichtbij het Heilig Sacrament.
Voor dergelijke personen was een achtstemmig requiem (in prima prattica stijl) aangevuld met een meerstemmig Dies Irae en Libera me de geplogenheid. Vecchi's Requiem, onvoltooid bij de dood van de componist, werd door zijn leerling Paolo Bravusi aangevuld met een Libera me dat ook in de Venetiaanse en Antwerpse druk terug te vinden is. Van alle Requiemmissen die in Antwerpen in die periode werden gedrukt komt enkel de dodenmis van Vecchi echt in aanmerking voor Rubens' begrafenis. Bovendien is de mis terug te vinden een bij Phalesius  uitgegeven druk van 1612 naast de beroemde Missa In Illo Tempore van Monteverdi, Rubens' collega in Mantua. Vecchi's Requiem is ook het enige Italiaanse requiem dat in die periode in Antwerpen werd gedrukt.
Belangrijk is dat de eshetische en liturgische smaak in de Antwerpse Sint Jacobskerk pas na 1644 veranderde, dat wil zeggen 'echt' barok werd, met de aanstelling van Philippus Van Steelant. Van hem zijn meerdere dodenmissen bekend in de nieuwe concertato stijl van de seconda prattica, een stijl die we eerder associëren met de werken van Rubens. Nochtans is het net die 'andere' barok die te horen was op zijn begrafenis.
Wanneer we naar het Requiem van Vecchi luisteren en tegelijk denken aan de schilderijen van Rubens, worden we gewaar dat er in het begin van de 17de eeuw geen sprake kon zijn van een homogene, barokke cultuur. Het is alsof verschillende stijlen en tijden door elkaar liepen die we
nu nog maar moeilijk met elkaar kunnen associëren. De rituelen tijdens de begrafenis van Rubens appelleren aan een ander soort barok, een soort gesluierde, vermomde barok, en raar genoeg in die zin, barok par excellence.


Barok is immers de stijl en de kunst van de vermomming, van een gedrapeerde materie die verhult en onthult. De waarheid is niet te vinden achter de sluier, maar is de sluier zelf.
Eerder dan te poneren dat componisten conservatief of oubollig waren, wil dit concert deze 'andere' barok doen ervaren. Misschien was de Antwerpse barok wel gekenmerkt door twee gezichten: het eerste is dat van Rubens en zijn collega's, een glorieuze, grandioze, post-Tridentijnse barok, met zijn eindeloze plooien en schakeringen in de materie. De tweede is een complexere en minder bekende, minder uitgesproken barok, gekenmerkt door een afgekeerd gelaat, een gelaat in het donker of herleid tot een blik in een zwarte sluier, een vermomde, verklede barok.
Het eerste gelaat is dat van de vermenging van geplooide huid en witte draperie; het tweede is dat van de strenge leegte, donker en zwart. Het zijn twee gezichten van dezelfde penning.
De geschiedenis heeft ons geleerd de barok te beschouwen als een verzameling 17de eeuwse stilistische kenmerken die eigentijds en vernieuwend zijn en die we zonder problemen, zonder dialectiek of ambiguïteit, kunnen inpassen in een historisch schema. Al wat daar niet in past noemen we anachronistisch of in het beste geval een overblijfsel of een reactie. Dit probleem komt goed tot uiting in onze appreciatie van de polyfonie die we met prima prattica associëren, met de 16de eeuw, maar die in de 17de eeuw bleef doorleven. Vecchi's requiem is een mooi
voorbeeld, maar ook de werken van de Portuguese maestro de capilla, Duarte Lobo, wiens volledige oeuvre bij Plantin werd uitgegeven in het begin van de 16de eeuw, tot en met 1639, een jaar voor Rubens' dood dus.
In Antwerpen was de barokke expressie vooral ook een reactie op het trauma van het iconoclasme: Antwerpen kende in de loop van de 16de eeuw twee Beeldenstormen, waarvan de eerste in 1566 kort maar heel heftig was, terwijl die van 1581 onder het Calvinistisch Bewind, georganiseerd en rigoureus was. Het is niet toevallig dat vele geschilderde kerkinterieurs in de 17de eeuw werden uitgewerkt met de binnenarchitectuur van voor 1566, een spookachtige herinnering van hoe het er ooit had uitgezien, wellicht ook een manier om in religieus gemengde Antwerpse families het probleem van het iconoclasme en de verering van heiligenbeelden bespreekbaar te maken.
Vecchi en Lobo beantwoorden hier volledig aan. Zo gebruikte Vecchi het pre-Tridentijnse graduale: Si ambulem in plaats van het normale Requiem Aeternam (dat wel bij Lobo terug te vinden is.) Verder snijdt hij van het offertorium het tweede deel Hostias et preces. Een andere
anomalie is de introductie van een volledig doorgecomponeerd Dies Irae. Zonder twijfel stelde dit de componist die vooral bekend stond voor zijn madrigaalkomedie's, in staat een bescheiden liturgisch drama te construeren, gekenmerkt door het dramatisch gebruik van chromatische
wendingen en twee koren die elkaar afwisselen: een hoog koor en een infernaal laag koor die elkaar in het Pie Jesu omarmen.
We beginnen het concert echter met een andere primeur: drie delen uit de nooit eerder uitgevoerde Missa Praeter Rerum Seriem, gedrukt in 1578 bij Plantin in Antwerpen. De mis is gebaseerd op een andere mis met dezelfde titel van Cipriano de Rore, die op zijn beurt een motet van Josquin als uitgangspunt nam. De mis is deel van een iconische Antwerpse druk, de eerste muzikale publicatie die bij Plantin van de persen rolde.
Het verhaal is bekend: Plantin wilde een antifonarium drukken met de financiële steun van Filips II. Die steun liet op zich wachten, maar de investering in speciaal papier en speciale muziekkarakter was gemaakt. Plantin besloot dan maar het erop te wagen en missen te drukken van de 31-jarige kapelmeester van Doornik, George de la Hèle, geboren in Antwerpen. Zijn werk is onterecht onbekend en nauwelijks uitgevoerd, want het is van een ongelofelijk meesterschap en een geweldige lyrische pathetiek.
BJÖRN SCHMELZER 

Orazio Vecchi: Requiem - Rubens's funeral and the Antwerp Baroque
Graindelvoix / Björn Schmelzer

Hildegard von Bingen (1098-1179) spreekt misschien minder tot de verbeelding als moeder-overste, maar mogelijk wel als een van de meest invloedrijke vrouwen in het Heilige Roomse Rijk, zij het dat in het Latijn - en afgeleid daarvan in het Italiaans - dat begrip een andere lading krijgt: Sacrum Romanum Imperium, ofwel het Heilige Romeinse Rijk. In ieder geval wordt er hetzelfde mee bedoeld: geen staat in de echte zin van het woord maar een politiek conglomeraat van seculiere en kerkelijke territoria die indirect onderworpen waren aan het gezag van de keizer of rex romanorum (onze oosterburen spraken van 'Römischer König' of 'König der Römer', wat dezelfde betekenis had). Dat keizerrijk hing in etnisch opzicht als los zand aan elkaar en was ook in politiek opzicht geen hecht gesmede entiteit, terwijl de aan de keizer toekomende macht voortdurend onderwerp van hevige discussie was tussen de adel, de clerus en zelfs de paus in Rome. Het was uiteindelijk Napoleon die er aan het begin van de negentiende eeuw met zijn harde soldatenhand het mes inzette en het als een 'historische vergissing' eenvoudigweg terzijde schoof.

Niet zweverig 
Hildegard von Bingen had werkelijk macht, als abdis, theologe, mystica, dichteres, componiste, arts, natuurkundige, hervormster, politica en raadsvrouwe van leidende politieke en kerkelijke figuren. Haar talloze geschriften tonen haar veelzijdigheid, terwijl wat zij schreef van grote invloed was. Zij was tevens de bedenkster van het eerste mysteriespel ‘Orde Virtutum' ofwel ‘Orde der Deugden', waarin de strijd tussen de ziel, de zestien deugden en de duivel realistisch wordt uitgebeeld. Het ligt misschien voor de hand om mystiek met het zweverige te verbinden, maar dat was Hildegard allesbehalve. Als kind zou ze weliswaar visioenen hebben gehad, maar in het dagelijks volwassen leven dacht, schreef en handelde ze op grond van concrete uitgangspunten. Dat wordt in haar gehele oeuvre weerspiegeld. Ze mag zich soms hebben verkeken op de menselijke stemomvang, maar ze streefde wel naar een zo hoog mogelijke concentratie en spanning in haar muziek.

Manuscript
Deze ‘Sybille van de Rijn' heeft door de eeuwen heen de belangstelling gewekt van theologen, filosofen, medici, historici, musicologen en literatoren. Ook vandaag is men (nog) niet over haar uitgepraat, uitgezongen of uitgestudeerd. 
De verzamelde composities van Hildegard zijn overgeleverd in twee handschriften. Het oudste manuscript is afkomstig uit haar eigen klooster in Rupertsberg en wordt nu in een Belgisch archief bewaard. Interessant in het goed gedocumenteerde cd-boekje is de geschetste weg die het manuscript heeft afgelegd. Hildegard had het zelf naar de cisterciënzers van Villers in Brabant gestuurd, waarna het zijn weg vervolgde naar de benedictijnen van Gembloers en Affligem om in de negentiende eeuw te eindigen in de Sint-Pieters- en Paulusabdij van Dendermonde. Vandaar dat wordt gesproken van de ‘Dendermonde Codex'. 
De kalfslederen band omsluit 183 perkamenten folio's met zowel teksten als composities van Hildegard, tezamen ongeveer tweederde van haar overgeleverde muziekwerken. Zij gaf de verzameling zelf de naam ‘Symphoniae harmoniae caelestium revelationum' (‘Symfonieën van de harmonie van de hemelse openbaring'). Vanaf dit jaar is het beroemde manuscript online te raadplegen in de ‘Integrated Database for Early Music' (IDEM). U vindt er tevens afbeeldingen van bijzonder goede kwaliteit.

Hildegard van Bingen, noteert haar visioen op een wastablet;
met haar secretaris Volmar en haar secretaresse Richardis

Bijzondere benadering
Het was de ontsluiting van de manuscriptfoto's in hoge resolutie die het Belgische ensemble Psallentes aanleiding gaf van de ‘Dendermonde Codex' een nieuwe opname te maken. Er bestaan al vergevorderde plannen om deze als aanvulling te gebruiken op de desbetreffende afbeeldingen in de reeds genoemde database. 
In het cd-boekje wordt dieper ingegaan op de bijzondere benadering van Psallentes, dat vrijwel iedere van de 57 composities uit de ‘Symphoniae' in een eigen bedding heeft geplaatst. Elke compositie wordt (relatief) onafhankelijk van de vorige of de volgende behandeld, daarbij steeds vergezeld gaande van toepasselijke lezingen, psalmen of cantica. Aldus plaatst het ensemble Hildegards muziekwerken in een twaalfde-eeuwse context van ‘collationes', de avondlijke bijeenkomsten van een monastieke gemeenschap, waarin op trage en nadenkende wijze uit de Schrift werd gelezen (de ‘lectio divinia'), in de zin van meditatieve reflectie. Psallentes stelt zich daarbij voor dat Hildegard regelmatig binnen haar (geloofs)gemeenschappen dergelijke avonden organiseerde, waarbij zij niet alleen zelf uit geschriften als de ‘Scivias' (verzamling visioenen) voorlas, maar ook zong, mogelijk improviseerde, en haar beste zangeressen belastte met gezangen en bijpassende recitaties. Binnen dit concept komt elke compositie traag en breed aan bod, waardoor in dit ‘eerste uur' niet meer dan de eerste vier stukken uit de ‘Dendermonde Codex' tot klinken komen.

Uitwerking
Op deze nieuwe cd horen we dus als het ware een wisselwerking, tussen ten eerste Hildegard als soliste die leest uit eigen werk, die zelf zingt en op geëigende momenten haar eigen composities improvisatorisch benadert (goed waarneembaar in de hernemingen van de antifonen, tracks 1 en 2); ten tweede een duo zangeressen dat zich op het reciteren van psalmen en cantica (tracks 1 en 2) en zich op de verzen van de responsoriën, de beurtzang (tracks 3 en 4) toelegt, met dan ten slotte een kleine groep zangeressen die de tutti-passages getrouw volgens de notatie van de ‘Dendermonde Codex' uitvoert. De psalmen en cantica zijn vocaal uitgewerkt vanuit de in het manuscript gesuggereerde psalmtonen (‘evovae'), maar dan wel met variaties en voorzichtige improvisatie – passend bij Psallentes' (uiteraard hypothetisch) uitgangspunt dat deze gezangen (ook) weerklonken op avondlijke, paraliturgische samenkomsten.

St Albans 
Om de link met de twaalfde-eeuwse monastieke wereld nog sterker te maken, koos Psallentes voor aansluitende teksten zoals die voorkomen in toenmalige bronnen. Voor de psalmen en cantica werd gebruik gemaakt van een psalter vervaardigd in de benedictijner abdij van St Albans in het Engelse graafschap Hertfordshire. De identiteit van de eerste eigenaar is onzeker, maar er zijn wel aanwijzingen dat het fraai verluchte handschrift bestemd was voor Christina (ca. 1097-ca. 1154), priorin van het nabijgelegen klooster van Markyate, en collega-mystica van Hildergard. De ‘Scivias' van Hildegard is terug te vinden in een manuscript dat afkomstig is uit de abdij van Park (Heverlee, bij Leuven). Abt Philip, die deze premonstratenzer gemeenschap tussen 1142 en 1165 leidde, was een van Hildegards correspondenten en zocht haar zelfs op in Rupertsberg.

Hemelse schoonheid
Psallentes excelleert in deze trage, brede en meditatieve lezing van Hildegards oeuvre, met als belangrijkste doelstelling om een geheel eigen en enigszins eigenzinnige lezing toe te voegen, daarmee eer en recht doende aan Hildegards genie, maar ook aan de geest en de details van de ‘Dendermonde Codex'. Zo klinkt het ook, de pure en devote vrouwenstemmen gehuld in een vlekkeloze, bijna hemelse schoonheid in een fraai ruimtelijke opname die hij diep religieuze karakter van de muziek nog eens extra onderstreept. In het boekje zijn zowel een zeer lezenswaardige toelichting als de gezongen en gesproken Latijnse teksten in Nederlandse vertaling opgenomen. Ik zie al uit naar het vervolg!

 

Psallentes - Hours of Hildegard

The Dendermonde Codex - First Hour

Psallentes o.l.v. Hendrik Vanden Abeele: Michaela Riener (solo), Sarah Abrams en Sarah Van Mol (duo en tutti), Lieselot De Wilde, Lisa De Rijcke en Kerlijne Van Nevel (tutti)

Le Bricoleur 680111 • 60' •

Opname: herfst 2016, Beaufays (B)

Bron: Aart van der Wal, opusklassiek.nl, april 2017.

Veel muziekliefhebbers koesteren de madrigalen van de zestiende-eeuwse Vlaming / Italiaan Giaches De Wert: muziek vol uitzinnige intensiteit, die recht naar het hart grijpt. Zijn religieuze composities kregen heel wat minder aandacht. Onterecht – dat begrijp je meteen bij het beluisteren van deze cd. Stile Antico stelde een buitengewoon fascinerende mix samen, die laveert tussen de uitgepuurde zeggingskracht van Palestrina en de kleurrijke vertelstijl van De Werts eigen madrigalen, tussen bedaarde polyfonie en uitbarstingen van extreme expressie. Een kolfje naar de hand van Stile Antico, zou je denken. De Britten met hun maagdelijke stemmen excelleren als de polyfonie rustig haar eigen gang gaat en hun organische ensembleklank zich langzaam openvouwt – meesterlijk. Maar als de tekst om meer scherpte, diepgang of wanhoop vraagt, blijven hun stemmen net een haartje te dicht bij de oppervlakte hangen. (aph)

  

Giaches De Wert

Giaches de Wert (1535 - 1596) of Jaak uit Weert was een Franco-Vlaamse componist die actief was in Italië. Hij was een van de leidende personen in de ontwikkeling van de madrigaal van de late Renaissance.

Hij werd waarschijnlijk geboren in Weert (vlakbij Antwerpen) en verhuisde naar Italië toen hij nog een kind was. Hij was een koorknaap in de kapel van Maria di Cardona in Napels en werd daarna een leerling van Cypriano de Rore aan het hof van de Ercole II d'Este in Ferrara (circa 1550 - 1555). Vervolgens was hij korte tijd verbonden aan de hoven van Novellara, Mantua en Parma.

In 1565 kwam hij in dienst van Guglielmo I Gonzaga in Mantua en werd koormeester van de hertogelijke kapel van S. Barbara waar hij verbleef tot 1592. Hij werd opgevolgd door Gastoldi.

Zijn privéleven was stormachtig; zijn vrouw, Lucrezia Gonzaga, werd verplicht Mantua te verlaten wegens een buitenechtelijke relatie met zijn concurrent, de componist en zanger Agostino Bonvicino. Daarna had hij een noodlottige liefdesverhouding met Tarquinia Molza, een zangeres aan het hof van Ferrara.


De Wert schreef meer dan 230 madrigalen en andere seculiere werken (uitgegeven in 16 delen, 1558 - 1608); ook schreef hij meer dan 150 sacrale stukken (motetten, hymnen, et cetera) die zijn meesterlijke beheersing van het contrapunt demonstreren.

Qua stijl behoorden zijn madrigalen tot de meest ontwikkelde van zijn tijd: in de jaren 1580 was hij een van de leiders in de ontwikkeling van een nieuwe, expressieve, emotioneel intense stijl, tezamen met Luzzasco Luzzaschi en Luca Marenzio, een stijl die culmineerde in het werk van Claudio Monteverdi en Carlo Gesualdo. Hij neigt naar het gebruik van een homofone toonzetting in zijn madrigalen, hoewel nooit exclusief; als animerende afwisseling verschijnen ook polyfone passages. In zijn laatste werken, in de jaren 1590, begon hij te experimenteren met de nieuwe concertato-stijl, met gegroepeerde stemmen in dialoog.

De Wert staat tussen Cypriano de Rore en Claudio Monteverdi, die onder hem werkte in Mantua en op wie hij een grote invloed had.

Hij overleed in Mantua op 6 mei 1596, in zijn huis naast het Palazzo Ducale. Zijn graftombe is naast die van zijn tijdgenoot, de Italiaanse componist Francesco Rovigo, in de crypte van de Santa Barbara.

GIACHES DE WERT:
Stile Antico - Harmonia Mundi

Bronnen: De Standaard & Wikipedia

Dit programma combineert Grieks-Byzantijnse gezangen met de levende muzikale tradities van de Christelijke levant, aan de hand van zes motetten in Italiaans-Franse stijl. Die motetten werden naar alle waarschijnlijkheid in de periode 1415-1420 gecomponeerd op Cyprus. Ze zijn ons overgeleverd in een spectaculair luxemanuscript dat nu wordt bewaard in de Biblioteca Nazionale Universitaria in Turijn (Ms. J.II.9). Dit manuscript werd rond 1435 in Italië samengesteld voor de familie Avogadro uit Brescia.

De Avogadro’s waren een dominante clan in Brescia in de jaren 1420 en ’30, toen er hevig om de stad werd gevochten door de twee grootmachten Venetië en Milaan. Pietro Avogadro (ca. 1385-1473), de patriarch van de familie, opende in 1426 de stadspoorten voor de Venetianen, waardoor hij talloze levens redde. Hij verdedigde de stad nogmaals tegen de Milanezen in 1438, wat hem en zijn nazaten het patriciaat van La Serenissima opleverde.

Rond 1453 moet Pietro Avogadro, op dat moment rond de vijftig jaar, zijn gaan nadenken over zijn erfenis, en hij besloot waarschijnlijk om een familiekapel te stichten. Hij was een buitengewone man en zocht dan ook buitengewone muziek uit voor zijn stichting. Hij vond dat exclusieve repertoire in de koninklijke kapel van Cyprus, dat in het bezit was van de Franse kroon.

Jean Hanelle, de NoordFranse kapelmeester van de Lusignans, was zojuist naar Europa teruggekeerd met Anne, de Cypriotische koninklijke prinses. In 1434 trouwde ze met Louis, de jonge erfgenaam van de hertog van Savoy - het huwelijksfeest was zo spectaculair dat heel Europa het erover had. Kort daarna moet Hanelle de prachtige codex voor Avogadro hebben samengesteld, waarvan u een selectie hoort op deze CD.

De motetten uit codex J.II.9 combineren stilistische elementen uit de jaren 1410, toen Hanelle net vanuit Cambrai naar Cyprus was verhuisd, met eigenschappen die typisch zijn voor de Italiaanse muziek uit de jaren 1420- 1440, en die mogelijk door Hanelle nog zijn aangepast om tegemoet te komen aan de wensen van Avogadro. Veel motetten zijn bestemd voor de viering van Advent en Kerstmis. Ze zijn gecomponeerd op prachtig compacte, neo-Latijnse poëzie (mogelijks ook van de hand van Hanelle), waarbij twee teksten tegelijkertijd worden gezongen in de bovenstemmen, wat typisch is voor het genre. Aan de andere kant hebben de gezangen teksten in het Grieks, Arabisch en Syrisch (een moderne variant op het door Jezus gesproken Aramees).

Grieks-Byzantijnse orthodoxe christenen waren in de vroege vijftiende eeuw in de meerderheid op Cyprus; rooms-katholieken waren er een minderheid maar bezaten wel al het land en alle macht. Kleine groepen van andere christelijke groepen zoals de Maronieten waren waarschijnlijk ook op Cyprus vertegenwoordigd, net zoals ze allicht in Venetië aanwezig waren. De onderlinge relaties van deze groepen waren verre van eenvoudig, en hun liturgieën bleven voor het grootste deel gescheiden, ondanks pogingen in die tijd om oosterse en westerse kerken te herenigen. Dit programma biedt een afspiegeling van de Cypriotische muzikale cultuur in de eerste decennia na 1400.

Graindelavoix
Graindelavoix werd in 1999 opgericht door kunstenaar en onderzoeker Björn Schmelzer. Het ensemble heeft inmiddels een goede naam opgebouwd met een aantal bijzondere muzikale projecten. De musici van graindelavoix verdiepen zich in oude muziek en onbekend repertoire. Tegelijkertijd onderzoekt de groep de mogelijkheden van de menselijke stem. Graindelavoix voegt met dit Cypriotische kerstoratorium van Jean Hanelle weer een bijzonder project aan zijn avontuurlijke repertoire toe.

Jordi Savall neemt zijn luisteraars mee op een persoonlijke pelgrimstocht: naar Montserrat, zowat ‘de heilige berg’ van de Catalanen, de zwarte Madonna die daar aanbeden wordt en de rijke pelgrimsgeschiedenis van het klooster op diezelfde berg. In het beroemde Llibre Vermell bleven tien van die pelgrimsgezangen bewaard.

Savalls eerste opname ervan – gerealiseerd samen met zijn vrouw, de ondertussen overleden zangeres Montserrat Figueras – was een mijlpaal om nooit te vergeten. Deze nieuwe liveopname uit 2013 klinkt als een nostalgische herinnering aan die tijd: minder explosief, monumentaler van toon. Savalls manier van musiceren is in al die jaren bijna een religie op zich geworden: je moet een beetje een believer zijn om echt helemaal meegesleept te worden. De klankkwaliteit van deze opname is niet ideaal, maar de dvd met de beelden van het concert maakt veel goed.

 

Llibre Vermell de Montserrat (Catalaans voor Rode boek van Montserrat)

In het jaar 880 hadden herders in de omgeving van Montserrateen visioen van licht en muziek. In de buurt werd in een grot een beeld van Maria gevonden, dat de bisschop naar een naburige stad liet brengen. Maar onderweg werd het beeld zo zwaar dat het niet meer verplaatsbaar bleek. Op die plek liet de bisschop een kapel oprichten, waar dan later de Abdij zou gesticht worden.

Montserrat is een plaats op een voetdagreis van Barcelona, waar een relatief klein maar grillig gebergte allerlei spectaculaire bochten maakt. Aan de grilligheid van een van de bergruggen dankt de plaats trouwens zijn naam: Mont Serrato, wat zoveel betekent als ‘gezaagde (in de zin van getande) berg’. Het Monasterio de Montserrat bevindt zich op een hoogte van 720 meter aan de oostzijde van de bewuste berg.

Over de ontstaansgeschiedenis van de Abdij heerst onzekerheid. Waarschijnlijk werd het klooster gesticht door een monnik, afkomstig uit het noordelijker gelegen Ripoll. Op de plek waar in de negende eeuw de kapel ter ere van Maria was gebouwd, richtte hij het klooster op, dat zou uitgroeien tot een van de grootste en bekendste Benedictijnerabdijen.

Het manuscript met de beroemde naam ‘Llibre Vermell de Montserrat’ werd gemaakt aan het eind van de Middeleeuwen, (ten laatste) in het jaar 1399. In de geschiedenis van Catalonië is het een belangrijke en welvarende periode, en de liederen die in het boekje te vinden zijn leggen daar op een hun eigen wijze getuigenis van af. Het boekje bevat, naast een reeks ‘gewijde’ teksten waar meestal slechts enkele specialisten in theologische traktaten enige interesse voor aan de dag leggen, negen pareltjes van Middeleeuwse pelgrimsmuziek. Over dat kleine repertoire muziekstukken is al heel wat inkt gevloeid, en er zijn vele tientallen opnames van gemaakt. Het repertoire zelf is nauwelijks groot genoeg om een volledig concert of zelfs een volledige cd mee te vullen. Vaak wordt een en ander dan ook gecombineerd met andere muziek, soms uit andere bedevaartscollecties – vooral dan de collecties waar de Mariale devotie ook een belangrijke plaats inneemt.

Niet alleen aan de kleine maar fijne inhoud dankt het boek zijn beroemdheid, ook aan het feit dat het ontsnapte aan de bibliotheekbrand van 1811. Op het moment dat de troepen van Napoleon de bibliotheek en het archief van de Abdij in brand staken, was het bewuste manuscript uitgeleend aan de markies van Lio, voorzitter van de Academie van Schone Letteren in Barcelona. Pas in 1885 keerde het manuscript in een rode band naar de Abdij terug, waarna het bekend werd onder die naam: het Rode Boek van Montserrat – Llibre Vermell de Montserrat.

Het boek bevat 137 folio’s van ongeveer 40 op 30 centimeter. Aan de bladzijdenummering is te zien dat er oorspronkelijk nog 36 extra folio’s geweest moeten zijn, die verloren zijn gegaan. Op slechts zeven van deze folio’s is muziek te vinden. Uit de overige bladzijden komt de functie van het manuscript duidelijk naar voor: het diende als gids voor de monniken die verantwoordelijk waren voor de opvang (misschien ook wel de ‘opvoeding’) van de talloze pelgrims die de Abdij bezochtten. In de Abdij was het de gewoonte geworden dat pelgrims de nacht wakend doorbrachten (misschien wel om de eenvoudige reden dat er weinig slaapplaats was). Tijdens die wakes ging het er mogelijk niet altijd zo devoot aan toe, een situatie die met het voorschrijven van bepaalde gezangen verholpen kon worden. Het staat ook zo beschreven in het manuscript zelf, op folio 22:

"Soms willen de pelgrims zingen en dansen (cantare et trepudiare) wanneer ze in de kerk van Onze Lieve Vrouw van Montserrat waken. Dit willen ze overdag ook, buiten de kerk. Maar dan moeten ze wel fatsoenlijke en vrome liederen aanheffen. Daarom werden een aantal van dergelijke gezangen hierboven en hieronder neergeschreven. Er moet met terughoudendheid en bescheidenheid gebruik van gemaakt worden, zodat zij die zich aan het onophoudelijk devoot bidden en het bezinnen hebben overgegeven, niet gestoord worden."

Alle liederen zijn genoteerd in de zogenaamde mensurale notatie van de Ars Nova (zie aflevering 31), in gebruik geraakt aan het begin van de veertiende eeuw. De enige uitzondering hierop is het eerste ‘lied’, het O Virgo splendens, dat genoteerd werd alsof het gregoriaans betreft, zonder aangave van ritme. Zeker betreft het hier een gezang met gelijke notenwaarden, want het gaat om een driestemmige canon, waarvan elke zin evenveel noten bevat.

Nu volgt een zeer beknopt overzicht van de verschillende gezangen in het boek.

O Virgo Splendens is, zoals het in het manuscript zelf genoteerd staat, een ‘antifoon met zachte harmonieën, toegewijd aan de Heilige Maagd Maria – een canon voor twee of drie stemmen’. De uitvoering van de canon is probleemloos: de tweede en de derde stem vertrekken nadat de eerste stem respectievelijk het eerste zinnetje en het tweede zinnetje achter de rug heeft. Op deze manier ontstaat inderdaad een ‘zachte harmonie’, een blend van klanken, bijna alsof we onnadenkend de witte toetsen van de piano door en tegenover elkaar gebruiken.

Stella Splendens is een virelai voor twee stemmen. De virelai (zie hoofdstuk 24) was een van de meest voorkomende Middeleeuwse dichtvormen. Een eenvoudige structuur, meestal met slechts twee rijmklanken. Volgens het manuscript wordt het gezang begeleid door een rondedans (of omgekeerd natuurlijk). De twee stemmen hebben ongeveer dezelfde tessituur, waardoor ze mekaar voortdurend kruisen.

Laudemus Virginem & Splendens Ceptigera zijn twee korte canons, die vroeger al eens als twee afzonderlijke stukken beschouwd werden, maar waarvan men nu veronderstelt dat ze wel degelijk samen uitgevoerd dienen te worden.

Los Set Gotxs Recomptarem is een ballade in de volkstaal (het Catalaans), met een refrein in het Latijn. Elk van de strofen bezingt één van de zogenaamde Zeven Vreugden van Maria (pendanten van de Zeven Smarten). Het is niet duidelijk of de eerste ‘Vreugde’ (de Annunciatie) aan bod komt in de eerste strofe. De eventuele afwezigheid ervan wordt mogelijk gecompenseerd door de woorden van het refrein, genomen uit Lucas 1,28 (Ave Maria, Gratia plena, Dominus tecum, Virgo serena).

Cuncti Simus is opnieuw een virelai, deze keer eenstemmig. Het is een parafrase op de woorden van de engel Gabriël aan Maria. De woorden ‘Ave Maria’ vormen de opvallende kern van het hele stuk.

Mariam Matrem is ook een virelai, voor drie stemmen. Het is, samen met het Virgo splendens, het enige stuk in het Llibre Vermell waarin geen of vrijwel geen volkse invloeden te herkennen zijn.

Imperaryritz & Verges Ses Par is een tweestemmig lied in het Occitaans (verschillende tekst per stem), net zoals het Mariam Matrem verwant aan de Franse Ars Nova. Het is melodisch erg mooi en vloeiend. Het is een grote lofzang op Maria, die met allerlei epitheta bejubeld wordt (flor de les flors, mare de Dieu, Estel de mar…).

Ad Mortem Festinamus is het laatste gezang in deze kleine verzameling. Het is een Virelai, eenstemmig, in negen strofen. Het is het enige gezang dat niet aan de Maagd is toegewijd, maar aan de dood en het ascetisch verzaken aan ‘de wereld’.

Bronnen:

Jordi Savall met rubab.

Nicholas Achten en zijn Scherzi Musicali weten telkens weer te verrassen met een origineel concept. Deze keer draait alles om La Maddalena, Maria Magdalena – de zondares, de bekeerde vrouw, de treurende vriendin. Een figuur die extreme emoties oproept én dus een geliefd en dankbaar onderwerp is voor schilders, dichters en componisten.

Nicholas Achten brengt rond dit thema werk voor het theater en voor de kerk bij mekaar. De ene La Maddalena is een Sacra Rappresentazione, een vroeg 17e-eeuws theaterstuk uit Mantua met muzikale intermezzi van Claudio Monteverdi, Salomone Rossi, en de minder bekende Domenico Mazocchi, Muzio Effrem en Alessandro Guivizzani. De andere La Maddalena is een sepolcro, een oratorium voor de Heilige Week, van Antonio Bertali (1663).

De grote bezetting van Scherzi Musicali – in totaal 7 zangers en 17 muzikanten – is helemaal in balans. De vrij uitgebreide strijkersgroep, de toevoeging van koperblazers die bijdragen aan een typische, weemoedige kleur, de rijkdom aan tokkelinstrumenten (theorbes en luiten in verschillende maten, barokgitaar, harp) en de afwisseling op klavecimbel, orgel, virginaal: heel fijn en beheerst klinkt dat allemaal, met subtiele solo’s en fraaie samenklanken.

Nicholas Achten trekt de lijn van zijn vorige opnames door: een interessant, doordacht project, mooi uitgewerkt, met stuk voor stuk prachtige musici. Bovendien is deze opname een wereldpremière.

Antonio Bertali - La Maddalena
Scherzi Musicali o.l.v. Nicolas Achten. Label: Ricercar RIC367.

- Els Van Hoof - klara.be -

Johannes TINCTORIS - SECRET CONSOLATIONS

Nieuwe CD van Le Miroir de Musique & Baptiste Romain. Johannes Tinctoris, eigenl. Jehan le Taintenier of Jean Teinturier (1435-1511) uit Nivelles (Nijvel) in wat toen het hertogdom Brabant was, was een zeer belangrijk muziektheoreticus van zijn tijd en als componist, een deskundige van de nieuwe, muzikale praktijken van de Renaissance. Na verbonden te zijn aan als magister puerorum (leider van het kinderkoor) aan de kathedraal van Chartres en Orleans waar hij ook rechten aan de universiteit doceerde, hield hij verschillende posities in Cambrai, Luik en uiteindelijk in Napels. Daar bouwde hij een carrière uit als componist, koorleider, juridisch adviseur en muziekleraar aan het hof van koning Fernando II van Aragon. Hij was een tijdgenoot van o.a. Ockegem, Josquin des Prez en Pierre de la Rue. Tinctoris schreef beinvloed door Boethius en Isidorus van Sevilla in 1495 een âœTerminorum musicae diffinitorum” (een terminologisch woordenboek) met bijzonderheden over de modi en de proportiecanon of mensuratiecanon (meerdere partijen afgeleid uit één genoteerde stem), en in 1477 een opvallend Liber de arte contrapunctiâ, de geleerde uiteenzetting van zijn acht compositieregels, waarmee hij zelf een bijzondere Mis Homme armé” (“Missa “Cunctorum plasmator summus”) componeerde. Het Kyrie uit de Mis is hier trouwens opgenomen.

Welkom bij Clubs!

Kijk gerust verder op deze club en doe mee.

Wat is dit?


Of maak zelf een Clubs account aan: