Oude muziek van Hildegard von Bingen tot Antonio Vivaldi

Logo MA 

- Welkom bij Musiqua Antiqua - 

logoem.giflogoem.gifDeze club gaat over de Oude Muziek of Musica Antiqua; van de Middeleeuwse componiste Hildegard von Bingen (1098-1179) tot de barokcomponist Antonio Vivaldi (1678-1741). 

Hier vind je informatie over de muziekgeschiedenis, nieuwe CD's, componisten, muzikanten - via de tab "Nieuws". Er is een zeer grote verzameling oude muziek videoclips - te vinden via de tab "Videoalbums".

Wat is 'oude muziek'? Oude Muziek of Musiqua Antiqua is de verzamelnaam voor muziek uit de Middeleeuwen, de Renaissance en de Barok. Met deze term maakt men een onderscheid tussen de muziek uit deze "pre-klassieke" periode met de rest van de klassieke muziek. Bij de uitvoering van oude muziek wordt vaak teruggegrepen naar instrumenten uit de tijd waarin de muziek geschreven is. Geprobeerd wordt de muziek uit te voeren zoals de betreffende componist oorspronkelijk bedoeld heeft. Dat geeft een zeer bijzondere sfeer aan de muziek, dat vooral bij een liveoptreden goed tot uiting komt.Van belang is dat deze muziek ook daadwerkelijk 'oud' klinkt en wordt uitgevoerd op authentieke instrumenten. Daarnaast dient de uitvoering te klinken op een wijze die een componist honderden jaren geleden vertrouwd in de oren zou hebben geklonken. Deze club gaat dus over muziek van middeleeuwen tot het einde van de late Barok, juist op het moment dat de klassieke periode zichzelf vestigde als de voornaamste muzikale stijl (in de tweede helft van de 18de eeuw).

logo-black_on.png 55196.png Radio44.jpg

Concertzender biedt een themakanaal Oude Muziek aan

De viola da gamba die haar oorsprong had in de vihuela de arco, kreeg zijn huidige vorm in de 16de eeuw en werd sindsdien overal in Europa bespeeld. Met name in Engeland waren in de 16de– en 17de eeuw, gamba consorts erg populair.

“De 15de eeuw was een eeuw die al snel de prachtige verhalen en odyssees van een pas herontdekte duizendjarige beschaving zou ontrafelen, een tijdperk waarin filosofen wijsheid en menselijkheid onderwezen, toen de muziek van Orpheus zelfs de meest woeste beesten kon temmen”, vertelt Savall. Te midden van zoveel nieuwigheden en wonderen, is het geen wonder dat minstrelen een nieuw, expressiever en rijker geluid zochten, om musica nova te maken, nieuwe muziek op een nieuw instrument, afkomstig van de oude vihuela de arco, de rebab of troubadour rebec, en de zoete geluiden van de Moorse luit. Nieuwe muziek met zijn potentieel aan mooie harmonieën en vreugdevolle ritmes, die plaats maakte voor de vihuela de arco en de vihuela de mano, in het spoor van de opeenvolgende uitwijzingen van de Joden in 1492 en de Moriscos in 1609. 

Historisch gezien ging de vihuela de mano, als voorloper van de luit, terug tot de middeleeuwen. Vermoedelijk werd het door de Spaanse elitebevolking ontwikkeld als tegenhanger van de luit, die sterk leek op de door de Moren tijdens de overheersing meegebrachte oed, een peervormig snaarinstrument zonder fretten dat met een plectrum werd bespeeld. De vihuela werd voornamelijk bespeeld in Spanje, en in mindere mate in Italië en Portugal. De Europese luit, die qua uiterlijk meer op de oed leek dan de vihuela, was populairder in het noorden van het continent, Frankrijk, Duitsland, Engeland en Nederland.

Het was het begin van een nieuw tijdperk van Europese beschaving, klaar om de oude Middeleeuwen achter zich te laten en die, dankzij de herontdekking van de oude Griekse beschaving, een nieuwe wereld begon te vormen vol idealen, hoop, schoonheid en creativiteit, van ontdekkingen en conflicten, zowel wijsheid als fanatisme, maar die de mens in het middelpunt van het leven stelde. Het was in die tijd dat een nieuw strijkinstrument werd geboren: de viola da gamba, viola d’arco of vihuela de arco, die ter ere van het nieuw tijdperk ook de ‘renaissance-altviool’ werd genoemd. Net als de Renaissance-luit had dit nieuw instrument 6 snaren die in kwarten waren gestemd, met een grote terts in het midden, en zeven fretten, die de vijfde in halve tonen verdeelden, waardoor elke toon zijn natuurlijke resonantie kon behouden.

“Zoals Ian Woodfield aantoont in zijn boek “The Early History of the Viol” (Cambridge University Press 1984)”, schrijft Savall, “was het in Valencia dat dit nieuw instrument aan het einde van de 15de eeuw op canvas werd vereeuwigd. De eerste schilderijen van het nieuw instrument, daterend van rond 1480, zijn te vinden in de kerken van Sant Feliu in Xàtiva (Valencia) (foto) en Sant Esteve in Valencia. Andere afbeeldingen uit het begin van de 16de eeuw zijn het anoniem schilderij van de Valenciaanse of Mallorcaanse school met de voorstelling “De kroning van de Maagd”, die hangt in het Museum voor Schone Kunsten in Valencia hangt, en “De Dormitie van de Maagd”, ook behorend tot de Valenciaanse School, die in het Museum voor Schone Kunsten in Barcelona hangt”.

De andere belangrijke nieuwigheid in de creatie van het nieuw instrument was dat het werd gemaakt om de menselijke stem na te bootsen, meer bepaald, de sopraan, alt, tenor en bas. En zo werd het consort geboren, een van de fundamentele instrumentale ensembles van de Renaissance en vroege barokke kamermuziek uit de 17de eeuw. Net als bij de uitvinding van het instrument, kwamen de vroegste muzikale creaties voor dit nieuw ensemble voort uit de muzikale activiteiten rond de monarchen van de Catalaanse-Aragonese Kroon, te beginnen met Alfonso de Grootmoedige, die zijn hof in Napels vestigde, na zijn verovering van de stad in 1442. Daar creëerde hij de eerste Academie voor de Kunsten, die spoedig werd geëmuleerd aan het Valenciaans hof door Germaine van Foix, de zuster van Lodewijk XII en tweede vrouw van de katholieke Monarch Ferdinand II van Aragon (1505-1516). In 1526 trouwde ze met de zoon van koning Frederik II van Napels, Ferdinand van Aragon, hertog van Calabrië. Hij was een belangrijke speler in de mediterrane politiek van de Catalaans-Aragonese kroon aan het begin van de 16de eeuw, en Ferdinand en Germaine werden onderkoningen van Valencia.

Niet minder belangrijk was de bijdrage van de stad Venetië, de “Poort naar het Oosten”, die gedurende meer dan twee eeuwen, één van de meest productieve centra van muziekcompositie en muziekuitgeverij in Europa was.

In het instrumentaal repertoire werd het experiment van het uitvoeren van liederen op de instrumenten, snel gevolgd door de compositie en publicatie van werken die specifiek gecomponeerd waren om te worden gespeeld op orgel, luit, violen en allerlei “andere instrumenten”. Dit is te zien is op tal van partituren, gedrukt in die periode, en staat vermeld in het voorwoord van de Musica Nova verzameling instrumentale stukken, gepubliceerd in 1540 in Venetië, waaruit Hieronimus Parabosco’s Ricercare XIV op de antifoon “Da Pacem”, werd geselecteerd. Het was trouwens deze compositie die het idee en de inhoud van de huidige opname inspireerde. 

De “nieuwe muziek” van de Canzone per sonare, samen met de ontwikkeling van nieuwe harmonische en ritmische parameters in de dansmuziek, en de contrapuntische complexiteit van polyfone werken (Fantasies, In nomines, Tientos, Canzoni, etc.), vonden in het homogeen ensemble van het gamba consort, hét ideaal middel om de beste kamermuziek te produceren, waardoor alle stemmen een harmonieus evenwicht bereikten zonder dat één van hen de andere domineerde.

Particuliere en sociale muziekpraktijken waarbij deze instrumenten werden gebruikt, verspreidden zich snel onder de burgerij en aan de hoven van de meeste Europese landen als Italië, Frankrijk, Vlaanderen, Castilië, Aragon en Catalonië, en in Duitsland en Engeland onder koningin Elizabeth I en koning James I. Engeland was de thuisbasis van de creatiefste componisten voor de gamba, onder wie Christopher Tye, William Byrd, Thomas Tallis, John Dowland, John Jenkins, William Lawes, en Henry Purcell. En tegelijkertijd was het in Engeland dat de viola da gamba en het gamba consort van het midden van de 16de– tot het midden van de 17de eeuw, tot bloei kwamen.

“Als een gast die was uitgenodigd om te lunchen of te dineren in bepaalde aristocratische en burgerlijke kringen in Groot-Brittannië geen gamba speelde”, besluit Savall, “werd dit als een sociale mislukking beschouwd, omdat gasten na de maaltijd, uitgenodigd werden om een van de partijen te spelen in consort songs, dansen, in Nomines of in fantasieën, als afsluiter van het avondamusement”. Deze “gouden eeuw” van het gamba consort, werd aan het einde van de 17de eeuw afgesloten met de Fantasias for the Viols, van de toen 21-jarige Henry Purcell, gecomponeerd in 1680, voor consorts van 4, 5, 6 tot 7 gamba’s.

Het programma werd opgesplitst in negen perioden die de genres en componisten per land voorstellen:

  1. 1500 DANZE VENEZIANE Anonimo Pavana del Re – Galliarda la Traditora – El Todescho – Saltarello
  2. 1540 MUSICA NOVA5 Hieronimus Parabosco Ricercare XIV « Da Pacem »
  3. 1589 RICERCARI & CAPRICCI Giovanni Battista Grillo: Capriccio V, Andrea Gabrieli: Ricercar VII
  4. 1612 ELIZABETHAN & JACOBEAN CONSORT MUSIC John Dowland: Lacrimae Pavan en The King of Denmark Galliard, Orlando Gibbons: In Nomine a 4, William Brade: Ein Schottisch Tanz
  5. 1621 LUDI MUSICI HAMBURG Samuel Scheidt Paduan V – Courant Dolorosa –Allemande XVI – Galliard Battaglia XXI
  6. 1644 CORONA MELODICA Biagio Marini: Passacaglia à 4
  7. 1673 LA CETRA Giovanni Legrenzi: Sonata sesta a 4 Viola da gamba
  8. 1680 LE CONCERT DE VIOLES À LA COUR DE LOUIS XIV Marc-Antoine Charpentier, Concert pour quatre Violes (H.545)
  9. 1680-1700 FOLÍAS & DANZAS IBÉRICAS Pedro de San Lorenzo: Folia, Pedro de Araujo: Consonancias en Joan Cabanilles: Corrente italiana.

De uitvoerders zijn Hespèrion XXI, Philippe Pierlot, Sergi Casademunt, Lorenz Duftschmid op gamba, Xavier Puertas, violone, Xavier Díaz-Latorre, aartsluit, theorbe & gitaar, Enrike Solinis aartsluit, Pedro Estevan percussie en Jordi Savall, gamba en directie. De cd werd opgenomen in de Colegiata de San Vicente de Cardona in Catalonië door Manuel Mohino. Alweer een magistrale uitgave die u voor geen geld ter wereld mag missen. Subliem!

Musica Nova - Harmonies des Nations 1500-1700
HESPÈRION XXI - Jordi Savall
cd ALIA VOX 9859

 
Bron: Michel Dutrieue; Stretto – Magazine voor kunst, geschiedenis en muziek, (stretto.be), 26 april 2018.

Björn Schmelzer nam voor het label glossa met zijn superbe ensemble “graindelavoix”, 17 madrigalen op van Cipriano de Rore, één van de toonaangevendste componisten van de 16de eeuw.

Cipriano de Rore (ca.1515-1565), afkomstig uit Ronse, was een representatieve vertegenwoordiger van de generatie Nederlandse polyfonisten na Josquin, die in Italië werkten en wier muziek bepalend was voor de ontwikkeling van de muziek van de laat Renaissance. De Rore was bv. tussen 1542 en 1546 in Brescia. Cypriano de Rore was één van de meest vooraanstaande componisten van Italiaanse madrigalen, meer nog, hij was eigenlijk het bekendst voor zijn Italiaanse “madrigali di pianto e furore”.

Na een vermoedelijk verblijf in Venetië in de kring van Willaert werd hij kapelmeester aan het hof van Ercole II d’Este, hertog van Ferrara. Tussen 1560 en 1563 was hij in dienst van Margaretha van Parma in Brussel en van haar echtgenoot Ottaviano Farnese in Parma, en zou vervolgens opvolger geweest zijn van Willaert als kapelmeester van de San Marco in Venetië. Hij was opnieuw in dienst van Farnese in Parma tot zijn overlijden in Parma in september 1565. Waarschijnlijk reisde hij onder de bescherming van Margaretha van Parma, in de eerste helft van de zestiende eeuw, naar Ferrara. Zijn madrigaal “Mentre lumi maggior” zou trouwens naar men aanneemt, een lofzang zijn op Margaretha van Parma en haar echtgenoot Ottaviano Farnese.

Het werk van de grootste Vlaamse Renaissance componist Cipriano de Rore genoot aanzienlijk succes, ook na zijn dood. Sommige van zijn madrigalen zijn te vinden in tientallen versies, en dit tot aan het begin van de zeventiende eeuw.  Het madrigaal was in de Renaissance een vier- tot zes stemmige a capella-compositie op een wereldlijke tekst. Na 1550 ontwikkelde het madrigaal zich meer polyfoon en imiterend en was er een toename van chromatiek. Het was de tijd van Willaert, de Rore, Andrea Gabrieli, Orlando di Lasso, de Monte en Palestrina.

Na 1580 vindt men in de muziek van Luca Marenzio, Gesualdo en Monteverdi meer de combinatie van het solo-madrigaal en monodie met basso continuo, en lag het accent op chromatiek (cfr. Caccini en de Wert). Als componist van vier- of vijfstemmige madrigalen, behoorde de Rore tot de tweede generatie madrigalisten. Hij schreef canonische technieken zoals imitatie voor, die sterke invloed hadden op Palestrina, Philippus de Monte en Claudio Monteverdi. De titel van de cd verwijst naar de gravure van Albrecht Dürer “Melencolia I” waarop een magere hond en een vrouw met gespannen blik te zien zijn, een treffende gelijkenis met de melancholische muziek vol spanning, balancerend tussen emotionele uitersten, van de Rore, hier schitterend uitgevoerd door Lluis Coll i Trulls (cornet), Floris De Rycker (chitarrone, luit en gitaar) en Graindelavoix. Magnifiek. Niet te missen!

Cipriano De Rore - Portrait Of The Artist as a starved dog. Madrigals. 
Graindelavoix - Björn Schmelzer
cd Glossa GCD P32114

 

Bron: Michel Dutrieue; Stretto – Magazine voor kunst, geschiedenis en muziek, (stretto.be), Oktober 27, 2017

Gedurende ongeveer duizend jaar, van 700 tot 1797, speelde de stad Venetië een vooraanstaande rol in de Middellandse Zee en de geschiedenis van de wereld. Gelegen in een lagune gevoed door twee rivieren waar een aantal kleine, precaire nederzettingen langs de kust waren opgericht, werd Venetië gesticht door de Byzantijnen, die er een kruispunt tussen het oosten en het westen van maakten.
 
Deze in wezen aquatische stad, met zijn netwerk van kanalen, trok handelaren van verschillende herkomst aan die een gemeenschappelijk doel nastreefden: een bloeiend centrum van zaken, uitwisseling en interesses creëren. De stad ontwikkelde geleidelijk een handel in goederen uit het oosten (specerijen, zijde, edele metalen, luxeartikelen) naar het westen, die werden ingewisseld voor andere goederen en grondstoffen, bedoeld voor handel met het oosten (hout en zout)
 
Door een “republiek” te stichten, waarin het systeem van de regering door een oligarchie werd geleid en vertegenwoordigd door een voor het leven gekozen doge, werd Venetië geleidelijk aan onafhankelijk van de Byzantijnen en werd ze uiteindelijk meer een handelspartner dan een vazal. Al snel werd deze legendarische stad rijk, onafhankelijk en krachtig, dankzij de ontwikkeling van zijn vloot. Nadat het zich tegen Karel de Grote had verzet, vocht het met succes tegen Rome om zo uit te groeien tot de leidende economische macht in het Middellandse Zeegebied, die de technische, wetenschappelijke en culturele vooruitgang mogelijk maakte die tot uiting kwam in de Venetiaanse architectuur, schilderkunst, literatuur en muziek.
 
Vanaf het begin en vooral tegen het einde van de 15e eeuw profiteerde Venetië van twee grote voordelen. Ten eerste had het de volledige vrijheid om boeken te drukken omdat het niet onderworpen was aan de dictaten van het Vaticaan en de Inquisitie. Ten tweede was het de poort naar het oosten en een thuis voor mensen van over de hele wereld – Byzantijnen, Italianen, Arabieren, Joden, Slaven, Armeniërs en Turken. Dit alles verklaart de buitengewone ontwikkeling van de uitgeverswereld. In een tijdperk dat gekenmerkt werd door zoveel religieuze conflicten, is het opmerkelijk dat Venetië de eerste gedrukte edities van de Koran en de Talmoed produceerde, en de eerste Bijbel in het Italiaans, evenals de eerste boeken uit de Duitse Hervorming. Het feit dat het een immigratiestad was, verklaart ook het feit dat er boeken in alle talen werden gepubliceerd. Zo zag men er de eerste gedrukte boeken in het Grieks, Armeens en in het Cyrillisch. Meer dan de helft van alle Europese boeken werd gedrukt in Venetië. Het was bovendien de stad die de bestseller en de paperback uitvond, evenals de vroegste edities van erotische boeken, kookboeken en medische teksten. Venetië bedacht ook de eerste rudimentaire systemen van het auteursrecht en van wat we nu marketing- en bedrijfstechnieken noemen.
 
Het was ook in deze multiculturele stad dat aan het eind van de 15de eeuw, het drukken van muziek begon, hoewel we nu symbolisch de geboorte van het drukken van muziek rond 1501 dateren, met de publicatie van Harmonice musices Odhecaton van Ottaviano Petrucci (honderd nummers van harmonische muziek). Ottaviano Scotto (c.1440-1498) uit Monza in Lombardije, drukte onder andere enkele prachtige missalen in rode en zwarte letters. Hij was de oprichter van een dynastie van typografen die in de 16e eeuw het drukken van muziek in Venetië domineerde. Hoewel het in 1501 gepubliceerd muziekboek van Petrucci niet het eerste was dat met een verplaatsbaar lettertype werd gedrukt, was het het eerste werk dat volledig aan muziek was gewijd, in de plaats dat het slechts korte fragmenten bevatte die in een liturgische of poëtische tekst waren ingevoegd. Meer dan drie eeuwen lang speelde de Venetiaanse grafische industrie een sleutelrol in de steeds invloedrijkere rol van zowel muziek, als van Italiaanse en Europese muziektheorie, een invloed die zich over de grenzen en door de eeuwen heen zou blijven verspreiden.
 
Ten slotte was het ook dankzij de handel en zijn contacten overal in de Middellandse Zee als gevolg van het opzetten van handelsposten op de eilanden en langs de kust om goederen uit te wisselen, dat Venetië de verschillende invloeden onderging van de oosterse christelijke, Latijnse en orthodoxe werelden, evenals die uit de Ottomaanse, Joodse, Armeense en Moslimculturen.
 
In 1797 bezetten de Franse troepen van Napoleon Bonaparte de Terra Firma en versnelden daarmee de val van de Republiek Venetië. Om het einde van deze duizend jaar geschiedenis op te roepen, die werd versneld door de invloed van de Franse Revolutie en de keizerlijke ambities van Napoleon, werd een ongebruikelijk en aangrijpend stuk gekozen dat enkele jaren later werd gecomponeerd, de revolutionaire hymne “La Sainte Ligue, La nuit est sombre” van Luigi Bordèse (1815-1886), gezongen op een tekst van Adolphe Joly aangepast voor vierstemmig mannenkoor met orgel (of piano), op muziek van Beethovens Allegretto uit zijn zevende symfonie.
 
Na de annexatie door Oostenrijk door het Verdrag van Campo Formio van 1797, die een einde maakte aan de oorlog tussen Frankrijk en Oostenrijk, werd Venetië uiteindelijk in 1866 een deel van het koninkrijk Italië. Samen met Rome werd het een van de “eeuwige” steden onder de Italiaanse steden, en bleef het tot op de dag van vandaag een van de mooiste juwelen in de kroon van de natie.
 
Deze uitgave volgt de belangrijkste gebeurtenissen over meer dan duizend jaar van de verbazingwekkende geschiedenis van die stad en laat de vele invloeden horen op de variërende geluidslandschappen van de Adriatische en de Middellandse Zee, afhankelijk van de stad, de regio en de buurlanden. Met de schitterende zangers van het orthodox/ byzantijns ensemble onder leiding van de uitstekende orthodoxe zanger Panagiotis Neochoritis, Savalls gastmuzikanten uit Griekenland, Turkije, Marokko, Armenië, en met de solisten van La Capella Reial de Catalunya, Hespèrion XXI en Le Concert des Nations, presenteren ze een selectie van religieuze en wereldlijke muziek uit de oude orthodoxe tradities van Byzantium, liederen van de Kruisvaarders, muziek uit Istanbul en het Ottomaanse rijk, Griekenland, Turkije en Italië. Al deze culturen verrijkten de reeds prachtige muziek die Byzantium en Venetië hadden nagelaten. Componisten zoals Guillaume Dufay, Clément Janequin, Adrian Willaert, Joan Brudieu, Claude Goudimel, Ambrosius Lobwasser, Giovanni Gabrieli, Claudio Monteverdi, Antonio Vivaldi, Johann Adolph Hasse en vele anderen, onder wie zelfs Mozart en Beethoven, bezongen en verklankten de grootsheid van de uitzonderlijke stad.
 
De eerste cd is gewijd aan de periode 770 – 1571. U ontdekt:

  • trad.: Fanfare (Instrumental d’après une mélodie du siècle VIII)
  • Ioannis Damaskinos: Alléluia (Choral byzantin)
  • anon.: Halatzoglou kratema (Instrumental byzantin)
  • trad.: Chanson de Croisade: Pax in nomine Domini – Marcabru (1100-1150)
  • anon.: Danse de l’âme (Afrique du Nord) [Instrumental] [Tradition Berbère]
  • trad.: Hymne pour les services des Matins
  • trad.: Chanson & Danse arménienne (XIIIe siècle)
  • trad.: Conductus: O totus Asie Gloria, Regis Alexandria Filia (XIIIe siècle)
  • anon.: Istampitta: Saltarello (mss. XIVe siècle)
  • Ioannis Damaskinos: Pásan tin elpida mu
  • anon.: Chiave, chiave (Instrumental) [Début du XVe siècle]
  • anon.: Adoramus te (Chansonnier du XVe siècle)
  • anon.: Hirmos Calophonique: Tin Déisin mu (XVe siècle)
  • trad.: Marche Ottomane Nikriz peÅŸrev – Ali Ufki Bey
  • Dufay: Lamentio Sanctae Matris Ecclesiae Constantinopolitanae
  • Janequin: La Guerre: La Bataille de Marignan
  • trad.: Cantique des Cantiques (3,1-4): Qamti be-Ishon Layla
  • Willaert: Villanesca alla napolitana: Vecchie letrose
  • Dimitrie Cantemir: Der makām-ı Uzzäl Sakîl (Instrumental ottoman)
  • Brudieu: Madrigal: Oíd, oíd… […las buenas nuevas de Lepanto]

De tweede cd is gewijd aan de periode 1571-1797. Op deze cd ontdekt u :

  • Goudimel: Psaumes de David. Ficht wider meine Anfechter (Psaume 35)
  • Ioannis Kladas: Géfsasthe ke idete
  • trad.: Sousta (Instrumental) [Danse de Chypre]
  • Gabrieli, A: Ricercar VII
  • Michael Chatziathanasiou: Hymne de la Sainte Eucharistie (En slave)
  • anon.: Laïla Djân (Instrumental) [Danse Perse]
  • Rossi, S: Psaume 137, (1-6): ’Al nàhärót bavél
  • Monteverdi: Il combattimento di Tancredi e Clorinda, SV 153
  • Rosenmüller: Sinfonia Seconda
  • Tanburi Angeli: Der Makām-i-Rehavi Çember-i-Koca (Marche ottomane)
  • Vivaldi: La Senna festeggiante, RV 693: Di queste selve venite, o Numi
  • J: Alla turca (Allegretto) [D’après la Sonate No. 11 en La Majeur, K. 331 de Mozart]
  • anon.: Deo gratias (Hymne Orthodoxe Russe du XVIè siècle)
  • trad.: Chanson Constitutionnelle Nous sommes tous égaux
  • Hasse, J A: Canzonette veneziane da battello. Raccolta di gondoliere
  • Per quel bel viso Mia cara Anzoletta
  • Luigi Bordèse: La Sainte Ligue (La nuit est sombre) [D’après les Symphonies No. 5 et No. 7 de Beethoven]

Historisch concept, muzikaal concept van het project en algemene leiding: Jordi Savall. Keuze van de  Orthodoxe muziek : Panagiotis Neochoritis.

De teksten in het bijbehorend boek in zowel het Engels, Frans, Duits, Italiaans, Castiliaans als het Catalaans, tellen vier hoofdstukken. Na de historische schets van Venetië door John Julius Norwich, een tekst over Byzantium en Venetië van Judith Herrin en een hoofdstuk over Venetië en het Oosten van Lucette Valensi, wijdt Sylvie Mamy het vierde hoofdstuk uitgebreid aan Muziek in Venetië en het “Theater van de oorlog”, Venetië breidt zijn rijk uit op zee en op het land, De apotheose van kunst en knowhow, Venetië, toevlucht van de christenen van de Oriënt, De gouden eeuw van operazalen, Venetië ontvangt Europa aan zijn tafel, De repercussies van de Franse Revolutie en De val van de Serenissima Republiek. Een meer dan magistrale uitgave !

 

VENEZIA MILLENARIA - JORDI SAVALL
HESPERION XXI, LE CONCERT DES NATIONS, PANAGIOTIS NEOHORITIS
boek + 2 cd Aliavox AVSA9925

 

Bron: Michel Dutrieue; Stretto – Magazine voor kunst, geschiedenis en muziek (stretto.be)

Deze verzameling van zoete duels is een verrukking van begin tot eind. 

In het rijk versierde repertoire van de barok ontstond uit het gewone duet het –vreedzame!- muzikale duel: dat kon zich tussen instrumentalisten afspelen, maar ook tussen zangers, of tussen beiden. Het genre van het concerto leverde de meest uitgewerkte en uitgebreide muzikale duels op, maar de meest spectaculaire vind je toch terug in de 18e-eeuwse zogenaamde obligate aria’s, met hun doordringende instrumentale partijen. 


De werken op deze cd bestrijken een periode van bijna een eeuw muziek, pakweg van 1682 tot 1782. De oudste aria komt uit het oratorium San Sigismondo, Re di Borgogna van Domenico Gabrielli, waarin drie concertante instrumenten (theorbe, viool en cello) in dialoog gaan met de vocale partij en het kleine orkest. Daarnaast zijn celliste Sol Gabetta en Cecilia Bartoli - deze laatste is, op zoek naar verborgen parels, altijd al erg graag in archieven gedoken - erin geslaagd om een zeer aantrekkelijk en gevarieerd programma samen te stellen. Mooi werk, zeker als je beseft dat ze nauwelijks of geen ‘hits’ hadden om naar terug te grijpen. Drie aria’s zijn zelfs nooit eerder opgenomen: één van Nicola Porpora en twee van Antonio Caldara.


Deze cd heeft als titel Dolce duello, en het mag gezegd dat de samenwerking tussen beide dames eerder naar dolce dan naar duello neigt. De sfeer is die van samen gezellig muziek maken, waarbij de warme, unieke mezzo van Bartoli, mooi samensmelt met de rijke, beweeglijke celloklank van Sol Gabetta. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat er geen plaats is voor dubbel vocaal en instrumentaal vuurwerk, zoals in de korte, maar bewogen aria van Tomaso Albinoni. Maar ook in de meer gedragen, trage aria’s, zoals die uit Arianna in Creta van Handel, vullen Gabetta en Bartoli elkaar op gebied van versiering, articulatie en zelfs klankkleur, wondermooi aan.


In twee nummers betreedt een derde mededinger het strijdtoneel: violist Andrés Gabetta, broer van inderdaad. Andrés is tegelijk ook dirigent van het uitstekende orkest met zijn naam, de Cappella Gabetta. Als afsluiter van deze cd begeleidt hij zijn zus in een energieke en zonnige vertolking van het 10e celloconcerto van Luigi Boccherini.

- Bron: Bart Tijskens, klara.be

Cecilia & Sol - Dolce duello
Cecilia Bartoli, mezzosopraan; Sol Gabetta, cello; Cappella Gabetta o.l.v. Andrés Gabetta.
Decca 483 2473.
Programma: Aria’s van Antonio Caldara, Tomaso Albinoni, Domenico Gabrielli, Antonio Vivaldi, George Frideric Handel en Nicola Antonio Porpora. Luigi Boccherini: Concerto nr.10 in D voor cello en orkest.

Op rondreis in Italië beluisterde de Nederlandse homo universalis Constantijn Huygens in een kerk in Venetië ‘de meest volmaakte muziek die ik ooit van mijn leven te horen denk te krijgen’. De kapelmeester was de beroemde componist Claudio Monteverdi. Het Britse koor I Fagiolini reconstrueerde deze mis, zoals Huygens die toen bezocht.
 
Het was eind juni 1620, het feest van de Heilige Johannes de Doper, herinnerde Constantijn Huygens zich in zijn geschriften. ‘Men bracht mij naar de vespers in de kerk San Giovanni e Luzia, waar ik de meest volmaakte muziek hoorde die ik ooit van mijn leven te horen denk te krijgen. De beroemde Claudio Monteverdi, kapelmeester van San Marco, die de muziek had gecomponeerd, dirigeerde deze keer ook, met vier theorbes, twee cornetten, twee fagotten, twee violen, een basviool van monsterachtige grootte, de orgels en andere instrumenten, die alle even goed werden bespeeld, en tien of twaalf stemmen, die me van verrukking buiten mezelf brachten.’
 
Vermoedelijk vergiste Huygens zich in de naam van de kerk en bedoelde hij de Santi Geremia e Luzia. Met zijn getuigenis is hij de enige tijdgenoot die ons een summier beeld voorspiegelt van een ‘concert’, geleid door Monteverdi. Robert Hollingworth, oprichter van het Engelse I Fagiolini, zocht voor zijn koor muziek bij elkaar die de kern van de liturgie zou kunnen hebben gevormd voor die door Huygens beschreven mis. En wat die speurtocht opleverde, is te beluisteren op het nieuwe album The Other Vespers, waarop I Fagiolini zich niet – zoals vaak gebeurt – richt op de beroemde Mariavespers (1610) van Monteverdi, maar op de werken die verschenen in zijn latere bundel Selva morale e spirituale (1641). Hollingworth combineert Monteverdi’s gezangen met die van onbekendere tijdgenoten.
 
Op 15 mei 2017 was Monteverdi’s geboorte precies 450 jaar geleden. Hij kwam ter wereld op 15 mei 1567 in het Italiaanse Cremona, de stad van fameuze vioolbouwers zoals Amati, Stradivari en Guarneri. Zijn muzikale scholing kreeg de apothekerszoon van kapelmeester Ingegneri van de plaatselijke kathedraal. Als violist – of vedelaar, zoals dat indertijd heette – kreeg hij een baan aan het hof van de vorst Vincenzo Gonzaga in Mantua, ‘een man even bekend om zijn kunstzin als om zijn nietsontziende zinnelijke driften’, schrijft componist Anton Averkamp in zijn boek Grootmeesters der Toonkunst. Daar toonde de jonge componist zijn gezicht als vernieuwer, onder meer in L’Orfeo, weliswaar niet de eerste opera uit de historie, maar wel het meesterwerk dat het symbool werd van de lka orfeo monteverdigeboorte van een nieuw genre.
  
Monteverdi ontworstelde zich aan de beperkingen van de stile antico, de oude stijl, en hij bedacht de term seconda practica, een eigentijdse praktijk waarin de componist zich meer vrijheden kon veroorloven. Nadat hij benoemd werd tot kapelmeester van de San Marco in Venetië introduceerde hij ook muziekinstrumenten in kerkdiensten, waar tot voorheen alleen de versmelting van menselijke stemmen en het orgel te horen waren. Op die manier kon hij meer nadruk leggen op de melodie. Uitgangspunt voor Monteverdi was dat muziek dienaar bleef van het woord. Hij was met veel vernieuwingen niet de eerste, maar vervolmaakte ze. Uit zijn muziek blijkt, om Averkamp te citeren, ‘hoe groot Monteverdi’s talent was voor dramatische uitdrukking en hoezeer hij het verstond de betekenis van de woorden muzikaal weer te geven’.Monteverdi bedacht – vanuit zijn ervaring als violist – enkele instrumentale vernieuwingen, zoals het tremolo, waarbij de strijkers met hun stok niet een lange beweging op de snaar maken, maar hele korte en snelle. Het roept een enorme spanning in de noten op. Ook het pizzicato, het plukken aan de snaren, is een uitvinding van de Italiaan. Monteverdi hechtte veel waarde aan de kleur van het orkest, en bij hem verschilt het ensemble van dat van zijn tijdgenoten. Niet voor niets benoemt Huygens de nodige instrumenten uit het gezelschap dat hij Monteverdi in 1620 ziet dirigeren. Dat kan alleen als reden hebben dat de samenstelling ongewoon is.
 
De werken die I Fagiolini heeft gekozen komen uit Monteverdi’s Venetiaanse periode. Dertig jaar lang – van 1613 tot zijn dood in 1643 – werkte hij daar als kapelmeester van de San Marco. Hij maakte er zelf een bloemlezing van in Selva morale e spirituale, wat zoveel betekent als ‘het morele en spirituele woud’. Hollingworth wil in het Monteverdi-jaar graag wat meer aandacht vestigen op deze mooie, maar veronachtzaamde bundel die de afgelopen jaren steeds genoegen moest nemen met een plek in de schaduw van de Mariavespers, die muzikaal niet zozeer beter zijn, maar één geheel zijn. Bovendien is moeder Maria nu eenmaal de meest geliefde heilige.
Met de blazers van het English Cornett & Sackbut Ensemble scheppen de zangers van I Fagiolini de stemmige sfeer van een kerkdienst in de Saint George’s Church in Cambridge.
De antifonalen, de Gregoriaanse vorm, die voorafgaat aan de gezangen van Monteverdi en zijn tijdgenoten geven helder het verschil tussen de oude en nieuwe stijl weer. Vooral in het spel tussen melodie en onderliggende baslijn tonen Monteverdi, en de uitvoerenden, zich meesters.
 
MONTEVERDI - The Other Vespers
I Fagiolini

Bron: www.classicstogo.nl

De Belgische antropoloog en dirigent Björn Schmelzer benadert de muziek uit de 15de eeuw heel anders dan anderen. In zijn vocaal ensemble mag elke zanger ook de ruwe kant van zijn stem laten horen. Vandaar: grain de la voix. De 'ruwheid' van de diverse stemmen wordt niet weggepolijst, maar werkt eerder versterkend. 

En nooit leek zijn missie zo actueel: “Het verleden is niet een gestolde realiteit waarvan we gescheiden zijn, maar een geheel van constant op en neer golvende onderlagen en tegenstromen die in onze lichamen voortleven. Op telkens wisselende tijden en geografische plekken doen er zich nieuwe erupties en botsingen van tijdslagen voor. Deze symptomen vormen de basis voor de performers van graindelavoix om telkens opnieuw te onderzoeken hoe het publiek zijn eigen geheugen van betekenissen construeert." 

Dit seizoen komt Graindelavoix uit met een nieuwe CD met een nieuwe wereld: een polyfoon programma vol ontdekkingen. Björn Schmelzer ging graven in de rijke Antwerpse drukkersarchieven van Plantin en Phalesius rond 1600 en ontdekte nooit eerder uitgevoerd of opgenomen materiaal. 

De oogst is niet alleen indrukwekkend, maar ook internationaal. Het meeslepende achtstemmige Requiem van Orazio Vecchi werd in 1612 in Antwerpen uitgegeven. Het wordt aangevuld met onbekende topwerken van o.a. George de la Hèle, Duarte Lobo en Pedro Ruimonte. Deze late polyfonie wordt door Björn Schmelzer 'barok in disguise' genoemd.

 

Björn Schmelzer

Björn Schmelzer schrijft het volgende over deze CD:

“De rituelen tijdens de begrafenis van Rubens appelleren aan een ander soort barok, een soort gesluierde, vermomde barok, en raar genoeg in die zin, barok par excellence.”

Antwerpen, 2 juni 1640: laat in de ochtend zet zich een imposante, stille begrafenisstoet in gang van de Wapper richting Sint Jacobskerk. De kist wordt vooraf gegaan door zestig wezen met toorts in de hand en de vertegenwoordigers van de belangrijkste monastieke ordes van de stad, samen met leden van het kapittel van de kathedraal en de stadsmagistratuur. De kerk is, net als de katafalk, bekleed met zwart fluweel en rood satijn. De dode in de kist is niemand minder dan de beroemdste schilder van zijn tijd, Pieter Paul Rubens. Het requiem dat gezongen wordt tijdens de begrafenis is zonder veel twijfel het requiem gecomponeerd door Orazio Vecchi op het einde van zijn leven rond 1605 en gedrukt in Antwerpen in 1612.
Het requiem beantwoordt aan de getuigenis van het begrafenisritueel: de uitvoering van een achtstemmig requiem met een polyfoon Dies Irae. Stefanie Beghein heeft in haar doctoraat duidelijk aangegeven hoe de funeraire conventies er in parochiekerk van Sint Jacob in 1640 uitzagen: het lichaam van een belangrijk persoon zoals Rubens werd begraven in de buurt van het koor (een zogenaamd 'koorlijk'), dichtbij het Heilig Sacrament.
Voor dergelijke personen was een achtstemmig requiem (in prima prattica stijl) aangevuld met een meerstemmig Dies Irae en Libera me de geplogenheid. Vecchi's Requiem, onvoltooid bij de dood van de componist, werd door zijn leerling Paolo Bravusi aangevuld met een Libera me dat ook in de Venetiaanse en Antwerpse druk terug te vinden is. Van alle Requiemmissen die in Antwerpen in die periode werden gedrukt komt enkel de dodenmis van Vecchi echt in aanmerking voor Rubens' begrafenis. Bovendien is de mis terug te vinden een bij Phalesius  uitgegeven druk van 1612 naast de beroemde Missa In Illo Tempore van Monteverdi, Rubens' collega in Mantua. Vecchi's Requiem is ook het enige Italiaanse requiem dat in die periode in Antwerpen werd gedrukt.
Belangrijk is dat de eshetische en liturgische smaak in de Antwerpse Sint Jacobskerk pas na 1644 veranderde, dat wil zeggen 'echt' barok werd, met de aanstelling van Philippus Van Steelant. Van hem zijn meerdere dodenmissen bekend in de nieuwe concertato stijl van de seconda prattica, een stijl die we eerder associëren met de werken van Rubens. Nochtans is het net die 'andere' barok die te horen was op zijn begrafenis.
Wanneer we naar het Requiem van Vecchi luisteren en tegelijk denken aan de schilderijen van Rubens, worden we gewaar dat er in het begin van de 17de eeuw geen sprake kon zijn van een homogene, barokke cultuur. Het is alsof verschillende stijlen en tijden door elkaar liepen die we
nu nog maar moeilijk met elkaar kunnen associëren. De rituelen tijdens de begrafenis van Rubens appelleren aan een ander soort barok, een soort gesluierde, vermomde barok, en raar genoeg in die zin, barok par excellence.


Barok is immers de stijl en de kunst van de vermomming, van een gedrapeerde materie die verhult en onthult. De waarheid is niet te vinden achter de sluier, maar is de sluier zelf.
Eerder dan te poneren dat componisten conservatief of oubollig waren, wil dit concert deze 'andere' barok doen ervaren. Misschien was de Antwerpse barok wel gekenmerkt door twee gezichten: het eerste is dat van Rubens en zijn collega's, een glorieuze, grandioze, post-Tridentijnse barok, met zijn eindeloze plooien en schakeringen in de materie. De tweede is een complexere en minder bekende, minder uitgesproken barok, gekenmerkt door een afgekeerd gelaat, een gelaat in het donker of herleid tot een blik in een zwarte sluier, een vermomde, verklede barok.
Het eerste gelaat is dat van de vermenging van geplooide huid en witte draperie; het tweede is dat van de strenge leegte, donker en zwart. Het zijn twee gezichten van dezelfde penning.
De geschiedenis heeft ons geleerd de barok te beschouwen als een verzameling 17de eeuwse stilistische kenmerken die eigentijds en vernieuwend zijn en die we zonder problemen, zonder dialectiek of ambiguïteit, kunnen inpassen in een historisch schema. Al wat daar niet in past noemen we anachronistisch of in het beste geval een overblijfsel of een reactie. Dit probleem komt goed tot uiting in onze appreciatie van de polyfonie die we met prima prattica associëren, met de 16de eeuw, maar die in de 17de eeuw bleef doorleven. Vecchi's requiem is een mooi
voorbeeld, maar ook de werken van de Portuguese maestro de capilla, Duarte Lobo, wiens volledige oeuvre bij Plantin werd uitgegeven in het begin van de 16de eeuw, tot en met 1639, een jaar voor Rubens' dood dus.
In Antwerpen was de barokke expressie vooral ook een reactie op het trauma van het iconoclasme: Antwerpen kende in de loop van de 16de eeuw twee Beeldenstormen, waarvan de eerste in 1566 kort maar heel heftig was, terwijl die van 1581 onder het Calvinistisch Bewind, georganiseerd en rigoureus was. Het is niet toevallig dat vele geschilderde kerkinterieurs in de 17de eeuw werden uitgewerkt met de binnenarchitectuur van voor 1566, een spookachtige herinnering van hoe het er ooit had uitgezien, wellicht ook een manier om in religieus gemengde Antwerpse families het probleem van het iconoclasme en de verering van heiligenbeelden bespreekbaar te maken.
Vecchi en Lobo beantwoorden hier volledig aan. Zo gebruikte Vecchi het pre-Tridentijnse graduale: Si ambulem in plaats van het normale Requiem Aeternam (dat wel bij Lobo terug te vinden is.) Verder snijdt hij van het offertorium het tweede deel Hostias et preces. Een andere
anomalie is de introductie van een volledig doorgecomponeerd Dies Irae. Zonder twijfel stelde dit de componist die vooral bekend stond voor zijn madrigaalkomedie's, in staat een bescheiden liturgisch drama te construeren, gekenmerkt door het dramatisch gebruik van chromatische
wendingen en twee koren die elkaar afwisselen: een hoog koor en een infernaal laag koor die elkaar in het Pie Jesu omarmen.
We beginnen het concert echter met een andere primeur: drie delen uit de nooit eerder uitgevoerde Missa Praeter Rerum Seriem, gedrukt in 1578 bij Plantin in Antwerpen. De mis is gebaseerd op een andere mis met dezelfde titel van Cipriano de Rore, die op zijn beurt een motet van Josquin als uitgangspunt nam. De mis is deel van een iconische Antwerpse druk, de eerste muzikale publicatie die bij Plantin van de persen rolde.
Het verhaal is bekend: Plantin wilde een antifonarium drukken met de financiële steun van Filips II. Die steun liet op zich wachten, maar de investering in speciaal papier en speciale muziekkarakter was gemaakt. Plantin besloot dan maar het erop te wagen en missen te drukken van de 31-jarige kapelmeester van Doornik, George de la Hèle, geboren in Antwerpen. Zijn werk is onterecht onbekend en nauwelijks uitgevoerd, want het is van een ongelofelijk meesterschap en een geweldige lyrische pathetiek.
BJÖRN SCHMELZER 

Orazio Vecchi: Requiem - Rubens's funeral and the Antwerp Baroque
Graindelvoix / Björn Schmelzer

Bologna 1666, een vreemde titel voor een cd? Niet wanneer je bedenkt dat Bologna in de 17e eeuw een van de belangrijkste muzikale steden in Italië was. En dat daar in 1666 de Accademia Filarmonica werd opgericht – een bloeiend opleidingscentrum voor componisten (Arcangelo Corelli!), zangers (Farinelli!) en instrumentalisten. Een instituut dat intussen al zijn 350ste verjaardag vierde – meteen ook de aanleiding voor het uitbrengen van deze cd en dit repertoire.

Het voortreffelijke Kammerorchester Basel haalt de muziek van enkele generaties componisten uit Bologna onder het stof vandaan. Niet van de minsten bovendien: Giovanni Paolo Colonna (1637-1695) en Giacomo Antonio Perti (1661-1756) waren mede-oprichters van de Accademia én vooraanstaande componisten. Van hen enkele instrumentale inleidingen/sinfonia’s op hun hoofdzakelijk vocale werk. Daarnaast enkele concerti van wat latere componisten zoals Torelli, Alberti, Laurenti en Zavateri. Niet allemaal grote, bekende namen – ten onrechte. Ze passen helemaal in het plaatje van levendige, zonnige Italiaanse barokmuziek zoals we die kennen van pakweg Vivaldi. En dat is zeker ook de verdienste van het enthousiast spelende Kammerorchester Basel: strak, vinnig en helder. Met de uitstekende soliste Julia Schröder.

Kortom, gezwinde uitvoering, mooie opname. Deze cd zal niet misstaan in de platenkast van de liefhebber van Italiaanse barokmuziek.
 
Bologna 1666 door het Kammerorchester Basel met Julia Schröder, viool;
Deutsche harmonia mundi 88985315592.
Vioolconcerto's van Giuseppe Torelli, Guiseppe Matteo Alberti, Lorenzo Gaetano Zavateri en Girolamo Nicolo Laurenti - Sinfonia's van Giovanni Paolo Colonna en Giacomo Antonio Perti.

 
Brob: Els Van Hoof, klara.be

Guillaume Dufay en Gilles Binchois - XVe eeuw

Welkom bij Clubs!

Kijk gerust verder op deze club en doe mee.

Wat is dit?


Of maak zelf een Clubs account aan: