Blogposts

Blog

Geplaatst op zondag 29 september 2013 @ 17:36 door Calamandja , 770 keer bekeken

'Met Bach mag je niet pronken…

   

‘You may sing quietly, people will listen.’ Als Herreweghe repeteert dan werkt hij in de diepte. Hij zingt voor, schaaft bij en doet er alles aan om het weerbarstige Duits helder te doen opklinken in de muziek. Zes jaar geleden stond hij mee aan de wieg van de jaarlijkse Bach Academie. Ook deze editie baadt het Concertgebouw Brugge drie dagen lang in Bach. Herreweghe leidt er zijn Collegium Vocale met muziek van Schein. En Bach natuurlijk.

 

‘Ik heb een fantastisch beroep, maar ik verafschuw het eindeloze reizen, het wachten in vlieghavens. Je duikt op in een stad, geeft een concert en verdwijnt weer. Hier in Brugge kunnen de muzikanten een week lang in het zelfde bed slapen. Enfin, dat vermoed ik toch. Dat is uniek voor een muzikant. Bovendien hebben we de tijd om naar elkaars concerten te gaan. Ik vat de Bach Academie op in de geest van de oude Academie van Plato, een plek waar ideeën werden uitgewisseld, waar gezocht werd naar ware of mooie zaken, wars van wat we nu onder academisme verstaan. Tijdens de Bach Academie staat de componist centraal, niet de uitvoerder. De mensen komen naar Bach luisteren, niet naar een recital van deze of gene muzikant, al zijn die van wereldniveau hoor, denk maar aan Ton Koopman of Pierre-Laurent Aimard. Het programma omvat meerdere concerten per dag, met daarnaast ook lezingen, films of tentoonstellingen. We dompelen het publiek dus enkele dagen lang onder in een Bachbad. Het is misschien geen pukkelpop, maar er hangt een fijne en intieme festivalsfeer. En dan is er natuurlijk die prachtige concertzaal, momenteel de beste van Vlaanderen, vind ik. En ze wordt beter en beter. In het begin was ik wat ontgoocheld, maar net als bij violen groeit haar klank jaar na jaar. Dat is van kapitaal belang voor het muziekleven van een regio. In Frankrijk is er niet één goeie zaal. Vandaar ook dat het muziekleven er weinig voorstelt, op opera na. Het is een vicieuze cirkel. Als je niet investeert in zalen, klinkt de muziek nergens goed, waardoor mensen er zich niet voor interesseren, enzovoort.’

       

Prachtige Ersatzen

     

‘Ik ben nu vijfenzestig, helaas. Ik speel en zing Bach sinds mijn achtste, tamelijk lang dus. Ik heb het grote geluk gehad dat ik omstreeks mijn twintigste heb kunnen samenwerken met Nikolaus Harnoncourt en Gustav Leonhardt. Leonardt was gecharmeerd door de klank van ons amateurkoor, het Collegium Vocale, en nodigde ons uit om samen met hem Bach op te nemen. Ik heb toen ook een beetje mogen dirigeren, hoewel ik in feite student geneeskunde was. Leonhardt was de eigenlijke artistieke leider natuurlijk, van achter zijn orgeltje. We waren er toen van overtuigd dat de manier waarop wij Bach uitvoerden de enige juiste was. Sindsdien is er veel veranderd. Ik ben minder orthodox geworden. Er is veel vooruitgang geboekt. De instrumenten klinken beter, muzikanten zijn technisch beter gewapend. Ook onze ervaring is nu zoveel rijker. Ik heb de Matheüspassie intussen 237 keer uitgevoerd, de cantates minstens één of twee maal, en het zijn er tweehonderd. En toch heb ik niet het gevoel dat we het nu beter doen dan vroeger. Neem nu de sopraanpartijen. Die worden in de cantates bij voorkeur gezongen door knapen. Het timbre van een knapenstem is uniek. En als zo’n jongetje dan zingt over thema’s als leven, dood en lijden, geeft dat toch een diepere betekenis aan de woorden. Die knapenkoortraditie is jammer genoeg in één generatie verdwenen. Nu werken we weliswaar met prachtige Ersatzen – vaak mooi om te zien trouwens, onze sopranen – maar het is niet hetzelfde.’

   

Een uur lang in God geloven

   

‘Een bijkomend probleem: ik heb meer dan vroeger moeite met de inhoud van die cantates. De psalmen en bijbelteksten hebben natuurlijk een enorme esthetische en filosofische waarde. Maar ze werden aangevuld met derderangs poëzie uit de tijd van Bach. ‘Wij zijn allen zondaars maar door het bloed van Christus zullen we verlost worden en verrijzen,’ dat soort dingen. Daar geloof ik natuurlijk geen snars van. Ik ben volstrekt atheïstisch, al heb ik natuurlijk het grootste respect voor die religieuze cultuur. Ik merk dat het me moeilijker en moeilijker valt om dergelijke teksten te brengen. Juist omdat de aanpak van het Collegium Vocale precies zo tekstgericht is. Zelfs met onze instrumentalisten werken we keihard op de tekst. Geef mij dan maar de Duitse sprookjes van Mahlers Des Knabenwunderhorn, of Heiner Müllers Medeamaterial. Dat raakt mij telkens diep.

Ik ben getrouwd met een Nederlandse. Mijn schoonmoeder is diepreligieus. Ze leerde Hebreeuws om de bijbel beter te begrijpen en is lid van een Lutherse kerkgemeenschap in Rotterdam, in de Laurenskerk, een prachtige kerk trouwens die erg goed klinkt. Welnu, die kerk heeft nog een vast orkest met een koor van gelovigen. Elke zondag brengen zij de Bachcantates volgens het kerkelijk jaar zoals ze door Bach bedoeld zijn. Als liturgie dus. Dat klinkt misschien iets minder goed dan onze uitvoeringen, maar er komt iets anders in de plaats: de mensen die dat zingen en spelen geloven dat echt, de mensen die er naar luisteren ook. En daar gaat het per slot van rekening om. We zwoegen dan wel op de frasering, we willen dat de trillers juist zitten, we hebben de mond vol van authenticiteit, maar de essentie ontbreekt: het geloof. Andere componisten die ik uitvoer hebben natuurlijk ook religieuze muziek geschreven. Maar Beethoven maakte van zijn Missa Solemnis een groots humanistisch drama. Hetzelfde geldt voor Brahms. Gelukkig kan je er toch in slagen om je tijdens de beperkte duur van zo’n cantate in te leven in die wereld, net zoals acteurs dat doen. Dan zijn we heel even wel gelovig.’

   

Muzikale ego’s

   

‘Het uitvoeren van Bach is paradoxaal. Het vergt zangers die een sterke persoonlijkheid hebben maar toch nederig zijn. Daarom is een bas als Peter Kooij voor mij de ideale Bachzanger, zijn vader was trouwens cantor in Utrecht. Ook hij is, net als die knaapjes uit de jaren 70, nog vergroeid met die Lutherse belevingswereld, hij kent die teksten uit het hoofd, is buitengewoon muzikaal, en speelt heel goed viool. Niet alleen een zanger dus zoals je ze kan vinden in de opera, die in feite helemaal geen muzikanten zijn. Een Latijns-Franse zanger mag nog zo’n prachtige stem hebben, maar die kan geen Bach zingen. Daarvoor is de cultus van het ego te groot. Al spreek ik mezelf tegen want onze beste altsolist is momenteel een Fransman. Bij dirigenten is het ego doorgaans nog sterker dan gemiddeld ontwikkeld. Dat kan Mahler ten goede komen, bij hem is één en al cultus van het ego. Maar bij Bach stoort het. Ik kan me daar geweldig aan ergeren bij andere uitvoerders. Met Bach mag je niet pronken, anders wordt het kitsch. Bachs muziek is juist zo expressief omdat hij de perfect balans vindt tussen rede en emotie. Als een vrouwelijke alt met te veel emotie ‘Erbarme dich’ zingt, dan rijzen mijn haren me te berge. De ideale interpretatie is er een die je niet hoort.’

   

Chaplin

   

‘Anderzijds, als ik mezelf nog eens mag tegenspreken: natuurlijk kan iedereen van Bachs cantates genieten, of je nu gelovig bent of niet. Zelfs al begrijp je geen snars van de teksten, dan nog bezitten die composities zo’n vernuftige klankstructuren dat ze louter door hun schoonheid kunnen ontroeren, net als bij een mooi gebouw. Zo goed zit ze in elkaar. Muziek is een schaakspel. Grote componisten slagen erin om met korte muzikale cellen een kathedraal te bouwen die een uur duurt. Hun muziek blijft boeien omdat ze denken als een schaakspeler en ons blijven verrassen met onverwachte combinaties van die cellen. Bach werkt natuurlijk niet alleen op een cerebraal niveau. Zijn muziek is voor mensen van zeven tot zevenenzeventig jaar, zoals een goeie Chaplinfilm. Soms is het ook voor doorwinterde musicologen erg moeilijk om te achterhalen hoe die muziek op een bijna wiskundige manier in elkaar steekt. En toch zal ook een kind de schoonheid van Bach intuïtief aanvoelen. Zoals ook een bos een esthetische indruk maakt. Ook dat zal ongetwijfeld te maken hebben met de wiskundige verhoudingen tussen blad en boom, tussen de bomen onderling, met het ritme van de stammen. Daar zijn vast wiskundige modellen van te berekenen. Maar ook als je er niets van begrijpt, dan nog blijft een bos mooi. Het is het huwelijk tussen realiteit, emotie en structuur die schoonheid schept. Maar dat hoeft het publiek allemaal niet te weten hoor, gewoon luisteren volstaat.’

  

Architectuur

  

‘Bach is als geen ander componist een meesterlijk architect. Toen ik begon vond ik de H-moll Messe een monster van complexiteit. Ik voer die uit sinds mijn tweeëntwintigste. Ik was al blij als we het ongeveer samen konden houden en een beetje doen kloppen, wat op zich al niet eenvoudig is. Nu, ik ben een atypische dirigent. Specialisme ligt me niet echt. Tot twintig jaar geleden voerde ik hoofdzakelijk oude muziek uit. Toen heb ik mezelf de vraag gesteld of ik dat wel een mensenleven lang wilde doen. Sindsdien bestrijk ik een steeds breder muzikaal veld. Vooral dan de muziek van de negentiende eeuw, die vaak veel grotere structuren heeft. Intussen ben ik, meer dan dertig jaar geleden, getraind op langere vormen, zoals een symfonie van Bruckner. Ik heb nu meer energie over om er ook op te letten dat ik die spanningsboog mooi volmaak van de aanvang van een concert tot het einde. Dat stoort me nu soms een beetje bij mensen die bezig zijn met oude muziek. Je hoort dat ze daar minder op getraind zijn. Een cantate mag niet klinken als een juxtapositie van details.’

   

Amateurisme

   

‘Toen ik jong was had je enerzijds de ernstige muzikale wereld, de concertpianisten die Brahms speelden. Debussy gold toen als hedendaagse muziek. En daarnaast had je de oude muziek. Dat was eigenlijk geen beroep. Als je je met Bachs cantates wilde bezig houden, dan kon je niet anders dan amateur zijn. Dat was ook een geweldig voordeel was je had niet de last van enkele eeuwen uitvoeringstraditie mee te zeulen. De muzikale wereld was toen als een museum met enkel werken uit de negentiende eeuw, zeker geen Picasso, dat was veel te modern. En dan ontdekten we plots op de zolder werken van Piero della Francesca, Dürer of van Eyck. Een geweldige tijd was dat. Monteverdi, Schütz en ook veel vocaal werk van Bach, dat was ongehoorde muziek. Toen we lang geleden een opname maakten met de motetten van Rameau, waren we de besten van de wereld. Gewoon omdat we de enigen waren.

Als tiener kende ik van de vocale muziek van Bach eerlijk gezegd enkel de passies, het Magnificat, de Hohe Messe en één of twee cantates. Dat was het. Al die andere tweehonderd cantates heb ik een voor een mogen ontdekken. Alsof je plots op honderdzestig Brahms symfonieën zou stuiten die je nog niet kende. Dat is mijn grootste frustratie met Bach. Dat ik die opwinding van toen niet meer met hem zal mogen meemaken. Ik zou graag nog eens het plezier mogen beleven om een grote componist te ontdekken. Maar ik vrees er een beetje voor.’

   

Bron: Wannes Gyselinck; The Wrong Notes; 23 januari 2013. Een ingekorte versie van deze tekst is verschenen in De Morgen van 24.01.2013.



Reacties

Er zijn nog geen reacties geplaatst.

Plaats een reactie

Je moet ingelogd zijn om een reactie te mogen plaatsen. Klik hier om in te loggen.