Blogposts

Blog

Geplaatst op donderdag 01 juli 2021 @ 12:01 door Calamandja , 60 keer bekeken

De opvallendste naam van deze muziekzomer is die van Josquin des Prez. En dat vijf eeuwen na zijn dood. 
 

 

Een voornaam als handelsmerk: het is alleen weggelegd voor sterren van het kaliber Elvis, Prince en Beyoncé. En dus ook van Josquin des Prez. Nochtans: als een naam echt een voorteken zou zijn, stond zijn succes niet in de sterren geschreven. ‘Joske Vandevelde’: ronken doet dat niet. En toch werd deze Belg beroemder dan tien Stromaes en zeven Adamo’s bij elkaar. Van België was rond het jaar 1500 natuurlijk nog geen sprake, en wat heet beroemd in tijden zonder Youtube of ­Instagram? Maar toch mogen we trots zijn: zonder Josquin, de mastermixer van de renaissance, zou de ­muziekgeschiedenis er helemaal anders hebben uitgezien.
Waar en wanneer Josquin des Prez werd geboren, blijft een prangend geheim. Midden 15de eeuw, zegt de natte vinger, ergens op het randje tussen wat toen Frans-Vlaanderen en het uiterste noorden van Frankrijk was.
 
Hoe de koter een koorknaap werd, weten we evenmin. Was hij de tiener Gossequin van wie we weten dat hij het vak leerde in Cambrai? Kan hij ook de Jusquinus zijn geweest die tien jaar later opdook aan het hof van René van Anjou in Aix? In de jaren 1480 zou ene Joschinus de Prattis verbonden zijn geweest aan de Sainte-Chapelle in Parijs, en kort daarna werkte Judocus Despres als ­collega van Leonardo da Vinci aan het Sforza-hof in Milaan. Nog weer later prijkte ‘Judo. de Prez’ op de loonlijst van het Vaticaan, waar een zekere ‘Josquinj’ zijn naam in de muren van de Sixtijnse Kapel heeft gekerfd. In Ferrara gaat hij door het leven als Juschino, in Condé-sur-l’Escaut als Josse des Prez. In 1520 ­bezoekt ‘Joskin’ Karel V in Mechelen of Brussel met een stapel chansons onder de arm. Op 27 augustus 1521, zegt een inscriptie op zijn inmiddels vernielde graf, verruilde ‘Sire Josse despres’ het ­tijdelijke voor het eeuwige.
 
Een soort doodsdrift

 
Josquin des Prez is de belichaming van de renaissance­polyfonie: de subtiele kunst om afzonderlijke, tegelijk klinkende stemmen te combineren tot een klankenstroom die zwenkt tussen ­perfectie en imperfectie. Muziek als een magistrale millefeuille, die alleen mooi in vorm blijft als je strikte regels volgt. In de handen van een mindere god kan dat tot middelmatige composities ­leiden waarin expressie en vinding­rijkheid verloren gaan. Net daar toont Josquin zich een buitenbeentje: regels en beperkingen werken op zijn fantasie als een rode lap op een stier. 

Josquin begreep als eerste dat een liedtekst, veel meer nog dan een kapstok voor aantrekkelijke wijsjes ook een trigger van gevoelens kon zijn

‘Josquin zoekt grenzen op die geen enkele collega durfde te benaderen’, zegt Paul Van Nevel, die met het Huelgas Ensemble de komende Josquin-editie van Laus Polyphoniae opent. Bijna obsessief-compulsief is het, de manier waarop de componist zichzelf aan banden legt door een minimum aan puzzelstukjes te gebruiken. ‘Zijn hardnekkig wentelende melodieën mag je gerust ­fanatiek noemen’, vindt Van Nevel. ‘Je moet het maar durven,’ zegt ook Björn Schmelzer, die dit najaar met Graindelavoix een nieuwe Josquin-plaat uitbrengt, ‘geloven dat echte beweging voortkomt uit dwangmatige herhaling. Josquins muziek bezit daardoor een soort doodsdrift en net dat maakt haar zo mee­slepend.’ 
 
Herhaling als sturend principe: is dat nu echt zo bijzonder? Jazeker. Sommige missen van Josquin – lange werken met vijf delen – zijn gebaseerd op slechts een handvol noten. Tweemaal schuift hij het populaire deuntje ‘L’homme armé’ midden in een mis, maar de uitwerking ervan verschilt zo sterk dat alleen een geoefend oor het oppikt. In Victimae paschali laudes ­combineert hij de bovenstemmen van chansons van twee collega-componisten met een gregoriaanse melodie én een nieuw gecomponeerde partij. In Stabat Mater koppelt hij de treurende Maria aan een andere ontroostbare dame, door een tophit van meester-chansonnier Gilles Binchois als uitgangspunt te gebruiken. Hightech engineering onder een glimmende kap: noem Josquin maar de McLaren onder de renaissancecomponisten.
 
De leest van de woorden

 
Ars perfecta, of de voortreffelijkste kunst, zo noemden tijdgenoten deze ­polyfonie. Daar is Josquins technisch volmaakte oeuvre een karakteristiek voorbeeld van. Maar daar stopt het niet. Want wat heb je aan een foutloze compositie als je er geen jota van begrijpt? Josquin is de man die de muziek een hart onder de ribben heeft gestoken, en dat deed hij met woorden. Hij begreep als eerste dat een liedtekst, veel meer nog dan een kapstok voor aantrekkelijke wijsjes, ook een trigger van gevoelens kon zijn. Zijn briljante idee was om alle muzikale beslissingen te schoeien op de leest van de woorden. Josquin neemt de structuur van gebeden en gedichten over, laat het muzikale ritme sturen door het woordaccent, vertaalt woorden of ideeën naar melodieën, en kleurt het klankbeeld aan de hand van de emo­tionele inhoud of de sfeer van de tekst.
 
Als de muziek vertraagt, melodieën de dieperik induiken of stemmen clashen, mag je er donder op zeggen dat er getreurd, gevreesd of gesakkerd wordt. ‘Miser factus sum’ – ik, ellendige – klinkt het in Domine ne in furore. De passage krijgt een motief mee dat rondjes achter zijn eigen staart rent: geijsbeer van een piekeraar die zich in kleine ­tegenslagen dreigt te verliezen. In een treurchanson voor een overleden ­collega verstopt Josquin dan weer een stukje van het gregoriaanse requiem.
 
Als hij je met het oor op de feiten wil drukken, verruilt Josquin de Mariah ­Carey-riedel voor een één-lettergreep-één-noot-beleid. Bovendien regelt hij de interactie tussen de stemmen zo, dat ze niet alleen naadloos op elkaar ingrijpen maar ook transparant genoeg klinken zodat je de tekst kunt verstaan. Soms schuift hij daarvoor het krioelende stemmenspel opzij om de boodschap er met akkoorden in te hameren. Die ­passages signaleren je dat je toe bent aan de clou van het verhaal.
 
Emo-polyfonie

 
Door woord en klank te laten samenvallen bracht Josquin iets nieuws in de muziek: emotie. Lang voordat Billie ­Eilishen co. ons de tranen van onder de wimpers trokken, verstond hij de kunst om op het gemoed van zijn publiek te spelen. Hij maakte van muziek iets magisch, een beleefkunst die je niet ondergaat, maar die je op lijf en leden voelt inbeuken. Die niet goddelijk, maar menselijk is. ‘Dat zou ik graag meer willen horen’, zegt tenor Tore Tom Denys, die met Capilla Flamenca ettelijke uren Josquin op de teller heeft. ‘Vaak wordt zijn muziek té mathematisch vertolkt, alsof ze gevangen zit in een strak stramien. Dat klopt niet met de renaissanceziel van Josquin, die zowat de eerste humanist in de muziekgeschiedenis moet zijn geweest.’
 
De emo-polyfonie van Josquin is nog verbluffender als je ze in haar context ziet. Want het idee om meerstemmige muziek te maken was anno 1500 nog maar een paar eeuwen oud. Bovendien was polyfonie ontstaan als improvisatie en werd ‘componeren’ aanvankelijk niet als een kunstvorm beschouwd. Muziek neerschrijven deden ze sowieso pas ­vanaf de 12de, 13de eeuw. Maar door dat neerschrijven gingen componisten zich gaandeweg onderscheiden van ­andere kunstbeoefenaars. Hun skills werden niet langer alleen gelinkt aan de religieuze functies die ze doorgaans uitoefenden, maar aan scheppend vernuft: de componist nieuwe stijl mocht een beetje een genie zijn. Dus gingen ze zich ook opstellen als eigenaars van hun creaties. Ze ondertekenden hun kunstwerken en dat opende de deur naar een ontluikende sterrencultus. De verspreiding van polyfone muziek kreeg een boost. In scriptoria werden adembenemend mooie handschriften gemaakt, niet het minst door het team van Petrus ­Alamire, muziekkalligraaf in dienst van aartshertog (en later keizer) Karel. In zijn Mechelse atelier werden in de vroege 16de eeuw meer dan zestig prachtig ­verluchte handschriften geproduceerd. Onder de toppers die het tot op de nachtkastjes van Margaretha van Oostenrijk en Maximiliaan I schopten: ­Josquin des Prez.
 
Alleen: met exclusieve en dure manuscripten verover je de wereld niet. Dat deed de polyfonie met de hulp van de boekdrukkunst. Het was Ottaviano ­Petrucci die begin 16de eeuw in Venetië een manier vond om meerstemmige muziek betaalbaar en op grote schaal te drukken. En opnieuw nam Josquin in de eerste bundels een koppositie in. Het is klaar als een klontje: hij was de celebrity van wie iedereen ‘de nieuwste’ in huis wilde halen. Zijn debuut op de massamarkt legde Josquin geen windeieren: van idool van de incrowd groeide hij uit tot ’s werelds eerste superster.
 
Super-Jos

 
Zeker, de renaissancemuziek telt nog tientallen andere kleppers, maar geen een met zo’n vranke smoel als Josquin. En dus werd hij een Kurt Cobain-achtige held, met alle gevolgen van dien. ‘Hij was bij leven al een legende,’ zegt Van Nevel, ‘maar dat keerde zich als een boemerang tegen hem: tot decennia na zijn dood werd het werk van anderen onder zijn naam gepubliceerd. De Duitse uitgever Förster stelde niet zonder ironie dat Josquin méér geschreven heeft na zijn dood dan ervoor.’ Vervalste, gekopieerde, gefingeerde Josquins strooien sindsdien peper in het snuffelspoor van musicologen die wanhopig zicht proberen te krijgen op zijn volledige oeuvre. 
 
Dat dit genie echt heeft bestaan, daar lijkt de muziekwetenschap intussen wel over uit. Eeuwenlang bleven sceptici twijfelen, omdat de ongeziene kwaliteit van zijn werk in combinatie met de hiaten in zijn levensverhaal erop leek te wijzen dat verschillende figuren tot één imaginaire ‘Super-Jos’ waren gekneed. Een beetje zoals de theorieën over Shakespeare, dus. 
 
Grote K

 
Al denken we vaak in darwinistische termen over cultuur, toch zijn we met de eeuwen ook veel kwijtgeraakt. De finesse van Josquins woordspelletjes en onze ­gave om ze door gefocust luisteren te ‘lezen’, zijn verloren gegaan. Van zijn composities hebben we Kunst gemaakt, van concerten vitrinekasten waarnaar je mag staren zolang je de handjes thuishoudt.
 
Maar dat is niet de polsslag van Josquins muziek. Die is gemaakt om lustvol te betasten. Om te kwelen onder de douche of luilekker bij te loungen. Dat enkele van de meest roemruchte oudemuziekpioniers en jonge beeldenstormers dit jaar concerten en opnamen aan de prins der polyfonie wijden, is een unieke kans om zijn muziek te ­herontdekken. Er mogen gerust wat ­heilige huisjes aan diggelen, en letterfretters, puriteinen of orakelende ­alweters mogen zich onthouden. Mag dat meteen ook onze ultieme verjaardagswens zijn? Een fuifje zonder ­kwezels en veel scherven in de kuis.  

 

 

Bron: Sofie Taes, De Standaard, 26 juni 2021



Reacties

Er zijn nog geen reacties geplaatst.

Plaats een reactie

Je moet ingelogd zijn om een reactie te mogen plaatsen. Klik hier om in te loggen.